ECLI:NL:PHR:2001:ZC8023
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffingsrecht en vaste inrichting bij werkzaamheden buitengaats en aan wal volgens belastingverdragen VK en VS
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Hof Amsterdam over de toepassing van belastingverdragen tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk (VK) en de Verenigde Staten (VS). De belanghebbende, een in Nederland wonende bedrijfsjurist werkzaam bij een Nederlands bedrijf dat olie- en gasplatforms transporteert en installeert, verrichtte in 1996 werkzaamheden in het VK en de VS, voornamelijk aan wal. Het geschil betreft de vraag of hij recht heeft op een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting voor het deel van zijn salaris dat kan worden toegerekend aan de dagen die hij in het VK en de VS werkte.
Het Hof had geoordeeld dat het begrip 'vaste inrichting' in de relevante verdragsartikelen alleen betrekking heeft op een echte vaste inrichting zoals omschreven in art. 5 van Pro de verdragen en niet op fictieve vaste inrichtingen zoals bedoeld in art. 22A VK en art. 27 VS Pro. De belanghebbende betwistte dit en stelde dat ook fictieve vaste inrichtingen onder het begrip vallen, hetgeen de Staatssecretaris van Financiën bestreed.
De Hoge Raad stelt dat het begrip 'vaste inrichting' in art. 15 van Pro het VK-verdrag en art. 16 van Pro het VS-verdrag mede ziet op fictieve vaste inrichtingen zoals bedoeld in art. 22A VK en art. 27 VS Pro. Dit volgt uit de tekst, strekking en systematiek van de verdragen en voorkomt dat de heffingsbevoegdheid van de werkstaat wordt gefrustreerd. Ook de toerekening van salariskosten aan de vaste inrichting moet worden beoordeeld volgens art. 7 van Pro het OESO-modelverdrag. De methode van toerekening door de werkgever wordt in deze zaak niet betwist en wordt geacht juist te zijn. De middelen van de belanghebbende worden gegrond verklaard, het arrest van het Hof en de uitspraak van de Inspecteur worden vernietigd en de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt toegekend.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verleent de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor het salarisdeel toe te rekenen aan werkzaamheden in het VK en de VS.