ECLI:NL:PHR:2001:ZC8118
Parket bij de Hoge Raad
- Van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over terugwerkende kracht en herziening omzetbelasting bij aanleg kunstgrasveld
De zaak betreft een cassatieberoep van een gemeente tegen een uitspraak van het Hof Amsterdam over omzetbelasting bij de aanleg van een kunstgrasveld. De gemeente exploiteert een sportpark en bracht omzetbelasting in aftrek over de aanlegkosten van het kunstgrasveld. De Belastingdienst legde naheffingsaanslagen op omdat de verhuur vanaf 1996 niet meer belast kon worden door wetswijzigingen.
Het Hof oordeelde dat de aanleg van het kunstgrasveld de vervaardiging van een nieuw goed is, waardoor omzetbelasting van toepassing is. De gemeente betwistte dit oordeel en de Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof, dat de functie van het kunstgrasveld verschilt van die van een natuurgrasveld.
Daarnaast is de vraag opgeworpen of de wetswijziging die het recht op belaste verhuur met terugwerkende kracht beperkte, in strijd is met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel van het Europese recht. De Hoge Raad concludeert dat hierover een prejudiciële vraag aan het HvJ EG moet worden gesteld, met name over de herziening van vooraftrek na wetswijziging. De zaak bevat uitgebreide overwegingen over de terugwerkende kracht, het communautaire recht en jurisprudentie van het HvJ EG.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt dat aanleg kunstgrasveld vervaardiging nieuw goed is en stelt prejudiciële vraag aan HvJ EG over herziening vooraftrek na wetswijziging.