ECLI:NL:PHR:2001:ZD1821

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
02099/00
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 45 SrArt. 359 SvArt. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor poging tot brandstichting en ontploffing met gemeen gevaar

Verzoekster werd door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens poging tot opzettelijk brandstichten en poging tot ontploffing, waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen bestond. Zij had in haar woning de gasslang doorgesneden en een brandende sigaret in haar hand gehouden, terwijl zij haar buren had gewaarschuwd met briefjes.

De brandweer trof een gevaarlijke situatie aan, waarbij een explosiemeter een overschrijding van de veilige grens aangaf. Een deskundigenrapport stelde dat het gasmengsel waarschijnlijk niet explosief was volgens de gemeten concentraties, maar erkende dat de metingen niet representatief waren voor de gehele ruimte en dat plaatselijke concentraties hoger konden zijn.

De verdediging voerde aan dat het bewezenverklaring niet door het bewijs werd gedragen en dat het deskundigenrapport niet was meegewogen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewijsmiddelen naar behoren had geselecteerd en gewogen, en dat het niet gebruiken van het deskundigenrapport niet onbegrijpelijk was. De klachten faalden en het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk.

Conclusie

Nr. 02099/00
Mr Wortel
Zitting: 3 april 2001
Conclusie inzake:
[Verdachte=verzoekster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verzoekster is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens
- "poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is",
- "poging tot een ontploffiing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is",
- "poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd", en
- "poging tot een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd"
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Namens verzoekster heeft mr. J.W. Leseman, advocaat te Tilburg, een schriftuur ingediend waarin, als ik het goed zie, één middel van cassatie is voorgesteld waarin drie klachten zijn ondergebracht.
3. In het middel is opgegeven dat in het bijzonder art. 157, aanhef en onder 1 en 2 Sr, in verbinding met art. 45, eerste lid, Sr is geschonden of verkeerd is toegepast. Uit de toelichting op het middel maak ik evenwel op dat wordt beoogd er op drie gronden over te klagen dat de bewezenverklaring niet wordt gedragen door de gebezigde bewijsmiddelen - hetgeen een schending van art. 359, derde lid, Sv zou meebrengen - en dat met name in de bestreden uitspraak opgenomen 'bijzondere overwegingen omtrent het bewijs' in de bewijsmiddelen geen steun vinden.
4. Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.
In de late avond van 4 mei 1998 wilde verzoekster zichzelf het leven benemen. Daartoe heeft zij in haar woning de gasslang van een kachel doorgesneden. Zij heeft twee brieven aan de buren geschreven teneinde hen te waarschuwen. (Overigens blijkt uit de door verzoekster ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring dat zij die briefjes, waarin zij had vermeld dat bij haar de gaskraan openstond en dat de buren voorzichtig moesten zijn met vuur, bij die buren voor de deur had gelegd).
Ter plaatse gekomen brandweerlieden hebben in de woning van verzoekster een 'verkenning' uitgevoerd met een explosiemeter, die een alarmsignaal gaf bij het binnengaan van de woonkamer. Zij hebben de woning terstond verlaten en één van hen vertelde hun bevelvoerder dat er in de woonkamer een vrouw zat te roken.
De bevelvoerder is met de andere twee brandweerlieden opnieuw de woning binnengegaan en zag dat de daar aanwezige vrouw - verzoekster - een brandende sigaret uit haar handen liet vallen toen zij werd opgepakt.
5. Voorts is tot bewijs gebezigd een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar, inhoudende een hem door de bevelvoerder van de brandweer gegeven toelichting op een uitdraai van in de gebruikte explosiemeter opgeslagen meetgegevens.
Die toelichting behelst dat 10 procent op een schaal van 0 tot 100 de grens aangeeft waarbij brandweerlieden nog veilig kunnen werken, dat het door de meter gegeven alarmsignaal er op wijst dat die grens van 10 procent wordt overschreden, dat dit meebrengt dat er een reëel gevaar voor explosie is, en dat op de uitdraai van de meting te zien is dat in de woonkamer waarin verzoekster zich bevond een grens van 20 procent is overschreden.
6. De "bijzondere overwegingen omtrent het bewijs", waartegen het middel zich keert, luiden:
"De verdachte heeft op of omstreeks 4 mei 1998 in haar woning een gaskraan geopend, de gasslang doorgesneden en daarbij een brandende sigaret in haar hand gehad. Het hof is van oordeel dat de aanmerkelijke kans bestond dat hierdoor brand zou ontstaan dan wel dat hierdoor een ontploffing teweeg gebracht zou worden, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten was.
Uit de omstandigheid dat een buurvrouw van de verdachte toen bij de voordeur een brief zag liggen met de tekst: "Mijn lieve buurvrouw, wilt u voorzichtig zijn met vuur, bij mij staat het gas open", leidt het Hof af dat de verdachte de evenbedoelde kans ook bewust heeft aanvaard.
op grond van het vorenstaande acht het hof het bewezenverklaarde opzet in voorwaardelijke vorm aanwezig."
7. De eerste klacht is dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat verzoekster de gaskraan heeft opengedraaid en de gasslang heeft doorgesneden, en daarbij een brandende sigaret in haar hand had, omdat nergens uit kan blijken dat verzoekster die brandende sigaret in handen had op het moment waarop zij de gasslang doorsneed.
8. Met het oog op de door het Hof geselecteerde bewijsmiddelen meen ik dat zijn overweging in dit opzicht niet aldus verstaan moeten worden dat verzoekster een brandende sigaret vasthield terwijl zij de gaskraan opende en de gasslang doorsneed, maar dat het Hof heeft beoogd er naar te verwijzen dat verzoekster, nadat zij die handelingen had verricht, waardoor het gas haar woning instroomde, een brandende sigaret in haar hand hield.
Deze klacht berust daarom naar mijn inzicht op een verkeerde lezing van de bewijsoverweging, en kan daarom geen doel treffen.
9. De tweede klacht is dat ten onrechte is overwogen dat de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat door de handelingen van verzoekster brand zou ontstaan of een ontploffing teweeggebracht zou worden.
Ten dele lijkt ook deze klacht te berusten op onjuiste lezing van 's Hofs overweging met betrekking tot het moment waarop verzoekster de brandende sigaret in haar hand had.
10. Voorts wordt ter onderbouwing van deze klacht gewezen op een deskundigenrapport. Het gaat om een rapport van een aan het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie verbonden deskundige. Op een eerdere zitting had het Hof de zaak weer in handen van de rechter-commissaris gesteld, onder meer om dat rapport te doen opstellen.
11. Verwijzend naar dat rapport wordt betoogd dat een mengsel van aardgas en lucht alleen kan exploderen indien er méér dan 5 procent, maar niet meer dan 15 procent aardgas in de lucht aanwezig is, terwijl de werking van de explosiemeter, waarvan in de bewijsmiddelen wordt gesproken, meebrengt dat het overschrijden van de grens van 10 procent volgens dat apparaat overeenkomt met 1 procent aardgas in het luchtmengsel.
12. Op de inhoud van dat deskundigenrapport heeft de raadsman ook ter terechtzitting in hoger beroep gewezen. Tot bewijs is het evenwel niet gebezigd. De selectie en waardering van de bewijsmiddelen is aan de feitenrechter voorbehouden, terwijl diens oordeel in het algemeen gaan andere motivering vergt dan in de gebezigde bewijsmiddelen besloten ligt. Voor zover in de bewezenverklaring besloten ligt dat de feitenrechter heeft gemeend dat bepaalde onderdelen van het dossier bij de bewijsvraag niet van belang zijn, of dat zij, ofschoon naar hun inhoud bezien niet met de bewezenverklaring verenigbaar, daaraan niet in de weg behoeven te staan, zal dat oordeel bij het onderzoek in cassatie gerespecteerd moeten worden.
13. Nu de verdediging ter terechtzitting nadrukkelijk naar het deskundigenrapport heeft verwezen, ten betoge dat verzoekster in verband met de inhoud daarvan vrijgesproken diende te worden, zal het rapport naar mijn inzicht desalniettemin bij de beoordeling in cassatie betrokken kunnen worden, in zoverre de uitspraak aantastbaar zou kunnen zijn indien de inhoud van dat rapport dwingend met zich meebrengt dat een bewezenverklaring niet bereikt kan worden. In dat geval zou ik voorstaan dat het zonder nadere redengeving niet begrijpelijk genoemd moet worden waarom aan het rapport is voorbij gegaan.
14. In zekere zin zou dat een situatie opleveren die spiegelbeeldig is aan HR NJ 1998, 404, waarin aan de orde was dat een deskundigenbericht tot bewijs was gebruikt terwijl de verdediging had aangevoerd dat het niet op voldoende deskundigheid kon berusten, en aan HR NJ 1999, 451, waarin het er om ging dat een deskundigenbericht niet rechtstreeks tot bewijs, maar voor de waardering van een ander bewijsmiddel was gebruikt, ofschoon de verdediging zich op het beredeneerde standpunt had gesteld dat de door de deskundige gehanteerde methode geen betrouwbaar resultaat kon afwerpen. In beide gevallen oordeelde de Hoge Raad dat het gebruik van een betwist deskundig oordeel voor de beantwoording van bewijsvragen (indien die betwisting voldoende onderbouwd is) een nadere motivering verlangt.
15. Mij dunkt dat het vergen van een nadere motivering in het thans voorliggende geval, waarin de rechter in verband met het bewijs juist geen gebruik heeft gemaakt van een deskundig oordeel, ofschoon de verdediging meende dat daaraan doorslaggevende, en voor de verdachte gunstige betekenis moet worden toegekend, enigermate zou kunnen aansluiten bij HR NJ 1998, 318, waarin is geoordeeld dat niet zonder nadere motivering voorbij gegaan had mogen worden aan een door een deskundigenrapport onderbouwd verweer. Ik ben me er echter van bewust dat kenmerkend voor het toen beoordeelde geval was dat de bewezenverklaring steunde op een ambtsedig relaas waarvan de overtuigende kracht in die mate gevonden moest worden in de betrouwbaarheid van een door de verbalisanten gehanteerde onderzoeksmethode, met name de wijze waarop zij hun waarnemingen hadden geanalyseerd, dat gezegd kan worden dat dit ambtsedig relaas de functie van een deskundigenbericht dicht benaderde. Ik houd het voor mogelijk dat de Hoge Raad daarop doelde waar hij verwees naar 'de aard van de onderhavige materie'. Daarom zou men deze uitspraak wellicht moeten beschouwen als verwant aan de beide andere, hierboven genoemde, uitspraken van de Hoge Raad met betrekking tot de betwisting, verwijzend naar een deskundigenbericht, van de deskundigheid waaruit een bewijsmiddel is voortgekomen.
16. Desalniettemin lijkt het mij aangewezen dat de rechter, indien hij voorbij meent te kunnen gaan aan een deskundigenrapport waarvan de inhoud zonder nadere verklaring niet met een bewezenverklaring verenigbaar lijkt, zeker indien de verdediging zich daarop heeft beroepen, in de uitspraak opneemt waarom dat deskundigenbericht niet aan de bewezenverklaring in de weg behoeft te staan. Om een dergelijke motiveringsplicht te kunnen doen ontstaan zal evenwel geëist moeten worden dat de deskundige feiten of omstandigheden heeft genoemd die - behoudens andersluidende aanwijzingen die de deskundige niet in zijn oordeel heeft betrokken, of die de rechter anders waardeert - dwingend meebrengen dat de tenlastegelegde gedraging en haar gevolgen niet het strafbare feit konden opleveren.
17. Die situatie zal zich in de praktijk niet spoedig voordoen, en de onderhavige zaak illustreert dat.
Inderdaad is in het deskundigenrapport te vinden dat een mengsel van aardgas en lucht slechts explosief kan zijn indien het percentage aardgas in dat mengsel niet kleiner dan 5 procent, en niet hoger dan 15 procent is (blz 3 van het rapport).
Juist is ook dat in het rapport is uiteengezet dat de werking van de door de brandweer gebruikte explosiemeter deze is, dat 100 procent in het meetbereik van dat apparaat overeenkomt met de onderste explosiegrens van het gasmengsel, derhalve een mengsel met 5 volumeprocenten aardgas, zodat de omstandigheid dat het apparaat, blijkens de computeruitdraai van door het apparaat gemeten waarden, op zeker moment net iets boven 20 procent heeft gemeten, uitwijst dat het apparaat een percentage van ongeveer één volumeprocent aardgas in de lucht heeft vastgesteld (blz 5 van het rapport); éénvijfde deel van de hoeveelheid aardgas die er in de lucht moet zijn om een explosie te kunnen doen ontstaan.
18. De deskundige heeft er evenwel ook op gewezen dat de waarden, vermeld op de computeruitdraai, niet behoeven overeen te komen met het percentage aardgas dat werkelijk in de lucht aanwezig is geweest. De deskundige noemt een aantal (deels voor de hand liggende) factoren die dat met zich meebrengen.
Als er met een apparaat van dit type op één bepaalde plaats minder dan 20 seconden wordt gemeten is de meting niet nauwkeurig (blz 4 van het rapport). De opmerkingen van de deskundige begrijp ik aldus dat de gasconcentratie niet volledig wordt gemeten indien de gebruiker van het apparaat niet ten minste 20 seconden op een bepaalde plaats stil blijft staan.
De wijze waarop het apparaat meetgegevens opslaat (de 'sampletijd van het log') brengt mee dat de uitdraai slechts de gasconcentratie per minuut weergeeft, en dat daaruit niet is af te leiden wat er tussen twee meetpunten (met een tussentijd van één minuut) is gebeurd (blz 6 van het rapport).
Het is de deskundige bekend geworden dat de brandweer doende is geweest het gasmengsel af te zuigen, hetgeen van invloed zal zijn geweest op de gasconcentratie (blz 6 van het rapport).
De deskundige wijst er op (en in zoverre noem ik zijn betoog voor de hand liggend) dat het gas zich niet homogeen over de ruimte verspreid zal hebben, en dat de gasconcentratie bij de bron hoger zal zijn gewijst dan elders (blz 7 van het rapport). Daarbij wijst de deskundige er op dat het hem aannemelijk voorkomt dat er is gemeten in de omgeving van de deur (blz 6 van het rapport). Mijnerzijds wijs ik er op dat dit overeenstemt met bewijsmiddel 4, waarin te vinden is dat het apparaat reeds bij het binnengaan van de woonkamer alarmsignalen gaf.
19. De deskundige stelde samenvattend vast:
"Hoe representatief dit" (i.e. de door de explosiemeter vastgestelde één volumeprocent gas in de lucht) "is voor de plaatselijke aardgasconcentraties in de diverse ruimten, c.q. het explosiegevaar van het betreffende pand in de [a-straat] is niet bekend. Men zou precies moeten weten waar en hoe is gemeten.
Het is niet uitgesloten dat in het betreffende pand plaatselijk de gasconcentratie wellicht zó hoog is geweest dat er sprake was van een explosief mengsel. Om hierin inzicht te krijgen zijn er meer technische gegevens over het betreffende pand en de omstandigheden noodzakelijk" (blz. 9 van het rapport).
20. In verband met de door de deskundige gesignaleerde discrepantie die er kan bestaan tussen de werkelijk in de lucht aanwezige hoeveelheid gas en de metingen die de explosiemeter vastlegt, en met name in verband met de door de deskundige gereleveerde omstandigheid dat niet te verwachten is dat het gasmengsel op alle plaatsen in de ruimte homogeen van samenstelling is, wordt in de toelichting op het middel ten onrechte betoogd dat in het deskundigenrapport de weerlegging is te vinden van de (in de bewijsmiddelen 4 en 5 opgenomen) verklaringen van de bevelvoerder van de brandweer dat het door de explosiemeter afgegeven alarm duidde op een gevaarssituatie, respectievelijk dat het bereiken van de grens waarbij dit alarm afgaat betekent dat er een reëel gevaar voor explosie aanwezig is.
21. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet waar verzoekster in de woonkamer zat, met de brandende sigaret in haar hand. De bevindingen van de deskundigen laten de mogelijkheid open dat het gasmengsel op de plek in die woonkamer waar verzoekster zat te roken een samenstelling had bereikt waarbij het explosief was of zeer snel kon worden, waarbij zich nog voegt dat de brandweer, gelijk de deskundige in zijn oordeel heeft betrokken, bezig is geweest gasmengsel uit de woning weg te zuigen, zodat het zeer wel denkbaar is dat de gasconcentratie op een eerder moment nog hoger is geweest.
De bevindingen van de deskundige sluiten evenmin uit dat het roken van die sigaret het gasmengsel had kunnen ontsteken. Weliswaar is het, aldus diens rapport, onwaarschijnlijk dat een explosief mengsel door de brandende sigaret zelf wordt ontstoken, maar dat gevolg kan wèl teweeggebracht worden door wegschietende vonken van brandend vloeipapier. Ook (en belangrijker, zou ik zeggen) dient een sigaret aangestoken te worden, en de ontstekingsenergie van een aansteker of lucifer is ruim voldoende om een explosief gasmengsel te ontsteken (blz 7 van het rapport).
22. 's Hofs in de bijzondere bewijsoverweging uitgedrukte oordeel dat het handelen van verzoekster een aanmerkelijke kans heeft meegebracht dat er brand zou ontstaan of een ontploffing teweeggebracht zou worden wordt door de bewijsmiddelen in voldoende mate ondersteund en is niet onbegrijpelijk. Hier doet zich niet het geval voor dat voorbij is gegaan aan een deskundigenbericht dat op ondubbelzinnige wijze aan een bewezenverklaring in de weg lijkt te staan. Daaraan behoefde het Hof dan ook geen nadere overwegingen te wijden.
De klacht faalt.
23. De derde klacht borduurt voort op de tweede. Betoogd wordt dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat een aanmerkelijk kans op het veroorzaken van brand of een ontploffing door verzoekster bewust is aanvaard. De klacht berust op de gedachte dat, waar naar het inzicht van de steller van het middel ten onrechte is aangenomen dat zo een aanmerkelijk kans is veroorzaakt, ook niet gesproken kan worden van het bewust aanvaarden daarvan.
Ook deze klacht moet falen, reeds omdat het Hof op toereikende gronden heeft aangenomen dat verzoekster een aanmerkelijke kans op het veroorzaken van brand of een ontploffing heeft doen ontstaan.
's Hofs oordeel dat verzoekster die mogelijkheid onder ogen heeft gezien en aanvaard, wordt gedragen door de overweging dat zij in haar woonkamer, terwijl het gas daar uit de doorgesneden gasslang stroomde, een brandende sigaret heeft gehad terwijl zij tevoren haar buren had gewaarschuwd voor vuur.
24. Het middel faalt in alle onderdelen en kan worden afgedaan met de in artikel 101a RO bedoelde motivering. Ambtshalve heb ik geen redenen voor vernietiging van de bestreden uitspraak aangetroffen, zodat ik concludeer dat het beroep wordt verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,