ECLI:NL:PHR:2001:ZD1853
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vonnis wegens onjuiste betekening dagvaarding en nietigheid inleidende dagvaarding
Verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem bij verstek veroordeeld wegens diefstal, nadat hij niet was verschenen op de terechtzitting. De dagvaarding was uitgereikt aan de griffier omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Verdachte was sinds 1992 vertrokken uit zijn laatst bekende adres en stond niet meer ingeschreven in de Nederlandse persoonsregisters.
De Hoge Raad constateert dat het hof niet heeft onderzocht of verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding niet wellicht gedetineerd was, wat een bekende verblijfplaats zou zijn geweest. Uit stukken blijkt dat verdachte op het moment van betekening in een penitentiaire inrichting verbleef, zodat de dagvaarding aan die inrichting had moeten worden uitgereikt.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de inleidende dagvaarding niet op juiste wijze is betekend, omdat verdachte een oud adres had opgegeven als woonadres terwijl hij daar niet meer woonde. De griffier had de dagvaarding als gewone brief moeten versturen en hiervan aantekening maken. Omdat dit niet is gebeurd, is de betekening niet rechtsgeldig.
Gelet hierop vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof Arnhem en verklaart de inleidende dagvaarding nietig, met uitzondering van het deel waarin het vonnis van de politierechter is vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart de inleidende dagvaarding nietig wegens onjuiste betekening.