ECLI:NL:PHR:2001:ZD2140

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
01631/00
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 361 SvArt. 361 lid 2 SvArt. 361 lid 5 SvArt. 56 RvArt. 57 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van schadevergoeding en proceskosten in cassatie bij brandstichting

De verdachte is door het Hof Amsterdam veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en verbeurdverklaring van een mes. Daarnaast is een schadevergoeding aan de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van fl 2.750, terwijl de benadeelde partij een hogere vordering van fl 5.501,25 had ingediend.

In cassatie is aangevoerd dat het hof ten onrechte niet de volledige schadevergoeding heeft toegekend, met name voor de schade aan de auto en de kosten van rechtsbijstand. Het hof motiveerde de gedeeltelijke toewijzing door de complexiteit van de waardebepaling van de auto, waardoor het niet geschikt was voor behandeling in het strafgeding.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld en dat de kosten van rechtsbijstand niet onder directe schade vallen, maar slechts proceskosten kunnen zijn. Omdat deze kosten niet in eerdere instanties waren geclaimd of bewezen, kunnen zij niet in cassatie alsnog worden toegewezen.

De eigen bijdrage in cassatie wordt eveneens niet toegekend. De Hoge Raad concludeert dat de benadeelde partij als in cassatie in het ongelijk gestelde partij geen kostenvergoeding krijgt en verwerpt het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de gedeeltelijke toewijzing van de schadevergoeding blijft gehandhaafd zonder vergoeding van proceskosten in cassatie.

Conclusie

Mr Fokkens
Nr. 001631/00
Zitting 23 januari 2001
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verdachte is door het Hof te Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar met verbeurdverklaring van een mes. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van fl 2.750 en de verplichting opgelegd tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.
2. Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Namens de benadeelde partij [...] heeft mr. E.J. Woud een schriftuur houdende één middel van cassatie ingediend.
3. Het middel houdt in dat het Hof de vordering van de benadeelde partij ten onrechte niet geheel heeft toegewezen. Het Hof heeft de vordering toegewezen voor een bedrag van fl. 2.750. Gesteld wordt dat de benadeelde partij schade heeft geleden voor een bedrag van fl 5.501,25. Dit bedrag is opgebouwd uit fl 4.500 voor de schade aan de auto, fl 881,25 voor de 'kosten rechtsbijstand eerste aanleg in hoger beroep' (die in eerste aanleg niet waren opgevoerd) en fl 120 (eigen bijdrage toevoeging in cassatie).
4. Blijkens het bestreden arrest heeft het Hof met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding het volgende overwogen:
'[Benadeelde partij], heeft zich als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd en een vordering tot vergoeding van de geleden schade tot een bedrag van f 5.000,= ingediend. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij de vordering verminderd tot een bedrag van f. 4.500,=. De politierechter in de rechtbank te Alkmaar heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van f 2.750,= en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
De benadeelde partij heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd tot een bedrag van fl. 4.500,-.
De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep betwist.
De vordering van de benadeelde partij zal tot een bedrag van f 2.750,= als voorschot worden toegewezen, nu aannemelijk is dat door hem tengevolge van het onder 1 bewezenverklaarde tot dat bedrag schade is geleden.
Het hof verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk, nu de vaststelling van de precieze waarde van de auto niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.'
5. Het middel bevat ten eerste de klacht dat het Hof ten onrechte de schade aan de auto slechts tot een bedrag van fl 2750,- heeft toegewezen. Die klacht treft geen doel. Anders dan de steller van het middel meent, blijkt niet dat het Hof er daarbij van is uitgegaan dat de in de aangifte genoemde waarde de juiste is. In de aangifte is door de benadeelde een waarde genoemd van fl. 2000,- . De vordering tot een bedrag van fl. 4500,-- , zoals die vervolgens door hem is gedaan, berust op de opgave van een autohandelaar op basis van informatie die de benadeelde partij over de uitgebrande auto aan die handelaar heeft verstrekt. Ter terechtzitting is de vordering vanwege de verdachte gemotiveerd tegengesproken ten aanzien van de gehanteerde taxatiewaarde. In deze omstandigheden is het oordeel van het Hof dat de benadeelde partij ten aanzien van het resterende gedeelte van de vordering f 1750,- niet-ontvankelijk is, omdat de vaststelling van de precieze waarde van de auto niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, niet onbegrijpelijk. Uitgaande van die vaststelling heeft het Hof de benadeelde partij terecht gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
6. Het middel voert verder aan dat de verdachte kosten voor rechtsbijstand heeft gemaakt in eerste aanleg en in hoger beroep en dat deze als rechtstreekse schade van de brandstichting voor vergoeding in aanmerking komen.
7. De kosten voor rechtsbijstand vallen niet onder de directe schade ex art. 361 lid 2 onder Pro b Sv. Maar voorzover de kosten betrekking hebben op werkzaamheden die de voorbereiding van de gedingstukken en de instructie van de zaak betreffen, zijn het zogenaamde proceskosten die ex art. 361 lid 5 Sv Pro in aanmerking komen voor vergoeding.(1)
8. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt niet dat deze kosten zijn geclaimd in eerste aanleg en hoger beroep en evenmin dat deze zijn gemaakt. In cassatie kan een dergelijke vordering tot vergoeding voor proceskosten niet voor het eerst worden gedaan gelet op het feitelijke karakter van een dergelijke vordering.
9. Daarmee resteert het verzoek tot vergoeding van de eigen bijdrage in het kader van de toevoeging in cassatie.
10. Het Wetboek van Strafvordering bevat , afgezien van het bepaalde in art. 361 lid 5 Sv Pro dat proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen, geen regeling voor de vergoeding van de proceskosten. Gelet op het civiele karakter van de vordering van de benadeelde partij is er aanleiding om de regeling van de toewijzing van de proceskosten zoals die in het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering is neergelegd min of meer analoog(2) toe te passen op de behandeling van proceskosten in geval van voeging door een benadeelde partij in een strafzaak.
11. Ingevolge het bepaalde in art. 56 lid 1 Rv Pro wordt de partij die in het ongelijk wordt gesteld, veroordeeld in de kosten. Indien Uw Raad met mij van mening is dat het middel faalt, kan de benadeelde partij als de in cassatie in het ongelijk gestelde partij, zijn kosten ten behoeve van rechtsbijstand dus niet vergoed krijgen.
Nu het middel niet slaagt en ik overigens ook geen gronden voor vernietiging van de bestreden beslissing heb aangetroffen, concludeer ik dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1 HR 21 september 1999, NJ 1999, 801; HR 18 april 2000, NJ 2000, 413; Rb Maastricht, 17 april 1997, NJ 1998, 202. Zie ook HR 17 februari 1998, NJ 1998, 449 waarin de Hoge Raad oordeelde dat bijvoorbeeld ook kosten voor het opvragen van een proces-verbaal niet vallen onder rechtstreekse schade maar dat de verdachte wel in die kosten kan worden veroordeeld. Zie in gelijke zin Vademecum Strafzaken, De benadeelde partij, [H 77], 77.3.7..5.a en aant. 3b op art. 592a Sv, T&C Sv, 1999.
2 De toepassing vindt plaats naar 'analogie' omdat de procedure in cassatie in strafzaken zich in tegenstelling tot civiele zaken niet kenmerkt door het karakter van een contradictoir geding. Gelet op de redactie van de art. 56 en Pro 57 Rv wordt in deze bepalingen daarvan wel uitgegaan.