Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Vanaf januari 1986 ontvangt verdachte een AAW/WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Eventueel verrichte werkzaamheden en/of inkomsten had zij dienen te melden aan de bedrijfsvereniging BVG.
Vast is komen te staan dat verdachte in ieder geval vanaf 1988 tot en met 1995 diverse werkzaamheden - meestal in verband met reisorganisaties - heeft verricht en betalingen heeft ontvangen, die nimmer gemeld zijn bij de BVG, waardoor deze jarenlang op grote schaal is benadeeld. Met deze omstandigheid wordt bij de strafoplegging rekening gehouden, ook al zouden de in het primair tenlastegelegde genoemde formulieren van 20 juni 1991 en 13 augustus 1994, zoals verdachte beweert, niet door haar zelf zijn ingevuld en ondertekend. Op verdachte rustte immers de verplichting één en ander uit zichzelf te melden aan de BVG, hetgeen zij steeds heeft nagelaten. De omstandigheden van het onderhavige feit worden bovendien gekleurd door de herhaalde mededelingen van verdachte aan de BVG/GMD dat zij zich niet in staat achtte te reïntegreren in het arbeidsproces, terwijl zij in diezelfde periode, onder vermelding van haar ruime ervaring (bijvoorbeeld bijlage 20.1 bij het proces-verbaal), veelvuldig heeft gesolliciteerd (bijlagen 19) naar de functie van reisbegeleidster en zij in haar curricula vitae (bijlagen 19.20.4, 20 en 33.3) aangeeft vanaf 1985 tot en met 1993 vele trainingen, opleidingen en cursussen te hebben doorlopen. Ook in begin juni 1995 heeft verdachte aan de arbeidsdeskundige van het GAK laten weten dat zij niet in staat was om deel te nemen aan een beroepenoriëntatie. Ten nadele van verdachte strekt voorts dat zij ter terechtzitting blijk heeft gegeven in geen enkel opzicht het laakbare van haar handelwijze te hebben ingezien.
Anders dan de raadsman, ziet het hof geen aanleiding om bij de bepaling van de straf rekening te houden met het tijdsverloop tussen de uitnodiging aan verdachte voor verhoor door opsporingsambtenaren van de Uitvoeringsinstelling en het uitbrengen van de inleidende dagvaarding. Verdachte is immers niet voor dat verhoor verschenen, het proces-verbaal is, terwijl het gerechtelijk vooronderzoek nog lopende was, op 1 april 1997 afgesloten, het gerechtelijk vooronderzoek - waarin verdachte wederom vergeefs voor verhoor is opgeroepen- is in juli 1997 gesloten en de inleidende dagvaarding is op 21 oktober 1997 aan verdachte betekend.
Voorts heeft de raadsman betoogd dat de huiszoeking bij verdachte op 14 november 1995 zodanig disproportioneel was, dat dit tot strafvermindering zou moeten leiden.
Dit betoog kan evenmin worden onderschreven, gelet op de inhoud van het ten behoeve van het verkrijgen van het verlof van de rechtbank voor bedoelde huiszoeking overgelegde begin-proces-verbaal van de opsporingsdienst van de BVG van 18 oktober 1995.
Alle omstandigheden in aanmerking nemend, acht het hof de vordering van de advocaat-generaal tot oplegging van een geldboete van f 500,- -zeker ook in het licht van de in eerste aanleg gevorderde acht maanden gevangenisstraf- onbegrijpelijk. Slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan recht doen aan de ernst van het bewezenverklaarde. Het hof is van oordeel dat deze straf bepaald zou behoren te worden op zes maanden. Echter, rekening houdend met de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, zal de gevangenisstraf thans op vijf maanden worden gesteld.
Een omzetting daarvan in onbetaalde arbeid ten algemenen nutte kan niet in de overwegingen worden betrokken, nu een daartoe strekkend aanbod niet is gedaan."