ECLI:NL:PHR:2001:ZD2426

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
03111/00 U
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 SrArt. 47 SrArt. 48 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep tegen uitleveringsuitspraak inzake internationale drugshandel

De Arrondissementsrechtbank Breda verklaarde op 16 augustus 2000 de uitlevering van verdachte aan Italië toelaatbaar wegens deelname aan internationale drugshandel met heroïne, cocaïne en ecstasy. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. Hij voerde onder meer aan dat de feiten niet strafbaar zouden zijn volgens Nederlands recht, dat onvoldoende bewijsmiddelen waren overgelegd en dat de vertaling van stukken onvolledig was.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank terecht de feiten strafbaar achtte op grond van de artikelen 47, 48 en 140 Sr en de Opiumwet. De eis dat wetsbepalingen van verzoekende en aangezochte staat exact overeen moeten komen wordt niet gevolgd. Ook is het niet vereist dat bewijsmiddelen worden overgelegd bij uitlevering en de vertaling voldeed aan de vereisten van het Europees uitleveringsverdrag.

Wel constateerde de Hoge Raad dat de uitspraak van de rechtbank niet voldeed aan artikel 28, derde lid, van de Uitleveringswet omdat de feiten waarvoor uitlevering wordt toegestaan niet zijn vermeld. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en bepaalt dat de uitlevering kan worden toegestaan met vermelding van de feitelijke omschrijving zoals door Italië opgegeven, met verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest wegens het ontbreken van een feitelijke omschrijving en staat uitlevering toe met vermelding van de feiten.

Conclusie

Nr. 03111/00 U
mr N. Keijzer
zitting 23 januari 2001
conclusie inzake
[Verzoeker = verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij uitspraak van 16 augustus 2000 heeft de Arrondissementsrechtbank te Breda de door Italië verzochte uitlevering van [verdachte] ter strafvervolging ter zake van, kort gezegd, participation in drug trafficking and drug trafficking, toelaatbaar verklaard.
2. Tegen deze uitspraak heeft [verdachte] cassatieberoep ingesteld. Namens hem heeft mr R. Bom, advocaat te Breda, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel houdt de klacht in dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft naar Nederlands recht strafbaar zijn ingevolge art. 140 Sr Pro en art. 47 Sr Pro jo. de artikelen 10 en 10a Opiumwet.
4. De feiten met betrekking waartoe de uitlevering is gevraagd zijn in het zich bij de stukken bevindende aanhoudingsbevel volgens de daarbij gevoegde Engelse vertaling als volgt omschreven.
" a) the offence provided for in Article 110, 112 n. 2 of the criminal code, 73 paragraphs 1 and 6, and 80, paragraph 2, of Law n. 309/90, for having, in complicity with one another, and with S(...) and M(...), unlawfully possessed, imported from the Netherlands (Tilburg), into Sardenia (Cagliari) a large quantity of heroine (2.485 kilograms). The aggravating circumstance is the large number of persons involved (...). The crime was committed in Cagliari and elsewhere on 17th February 1997 and prior days.
b) the offence provided for in Articles sub a) for having, in complicity with one another and with unidentified couriers, by more acts:
1) imported into Italy from the Netherlands, unlawfully possessed and transported a large quantity of heroine (KG 4,5);
2) unlawfully possessed about 1 kg of cocaine and about 3000 tablets of ecstasy;
(...) Said crime was committed in Tilburg and Cagliari until 16th February 1997. (...)
c) the offence as per Articles 110, 112, n. 2 of the criminal code, 73, paragraphs 1 and 6, 80 of Law n. 309/90, for having, in complicity with one another and with (...), on several occasions, imported into Sardenia from Holland, via Milan, unlawfully possessed, transported, and given to third parties large quantities of cocaine, in particular a load of 5 kg of pure cocaine (large amount), seized from Pili on 11th April 1998; all said loads were meant to supply the area of Nuoro: Said offence was committed in Holland, Milan, Nuoro and elsewhere, from April 1997 (Piludu episode) to April 1998 (Pili episode) (...)
d) the offence as per Article 74 of Law n. 309/90, for having formed an association also with (...), all tried separately, for the purposes of committing several crimes of importation of, and international trafficking in, large quantities of drugs (heroine, cocaine, ecstasy), including the offences indicated in the preceding counts, with M(...) acting as the organiser, provider of funds and promoter. The said crime was committed in Holland (Tilburg) and Nuoro from October 1996 to April 1998 (...)."
5. Omtrent de strafbaarstelling van deze feiten naar Nederlands recht heeft de Rechtbank overwogen:
"Naar Nederlands recht zijn deze strafbaar gesteld bij de artikelen 47, 48 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13 van de Opiumwet."
6. Dat oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Art. 140 Sr Pro heeft de Rechtbank kennelijk en terecht van toepassing geacht op hetgeen in de feitsomschrijving is vermeld onder d); de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet heeft zij kennelijk en terecht van toepassing geacht op de feiten a), b) en c).
7. Voorzover het middel dit miskent faalt het. Voorzover het middel steunt op de opvatting dat de naar het recht van de verzoekende staat toepasselijke wetsbepalingen dienen overeen te komen met de naar het recht van de aangezochte staat toepasselijke wetsbepalingen vindt het geen steun in het recht (vgl. bijvoorbeeld HR 25 mei 1999, NJ 1999, 587). Voorzover het middel klaagt over toepassing door de Rechtbank van art. 10a Opiumwet mist het feitelijke grondslag.
8. Het middel is derhalve vruchteloos voorgesteld.
9. Het tweede middel houdt de klacht in dat de Rechtbank eraan is voorbijgegaan dat door de verzoekende staat onvoldoende bewijsmiddelen zijn overgelegd. Art. 12 van Pro het Europees uitleveringsverdrag (EUV), te dezen van toepassing, verlangt echter in het geheel niet dat bewijsmiddelen worden overgelegd. Het middel faalt om die reden.
10. Het derde middel houdt de klacht in dat de vertaling van de door de Italiaanse autoriteiten overgelegde stukken incompleet is. Aan de schriftuur is een aantal pagina's gehecht die kritische opmerkingen inhouden omtrent de vertaling in het Engels van de door de verzoekende staat overgelegde stukken.
11. Het te dezen toepasselijke art. 23 EUV Pro houdt echter in:
"The documents to be produced shall be in the language of the requesting or requested Party. The requested Party may require a translation into one of the official languages of the Council of Europe to be chosen by it."
12. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de stuken voldoen aan de vereisten die in het toepasselijke verdrag worden gesteld. Gelet op de evenweergegeven bepaling geeft het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat de beweerde gebrekkigheid van de in casu overgelegde vertaling niet aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg staat geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting.
13. Ook dit middel faalt derhalve.
14. Ambtshalve merk ik nog op dat bij de bestreden uitspraak de uitlevering van [verdachte] toelaatbaar wordt verklaard "voor hierboven vermelde strafbare feiten". De uitspraak houdt echter geen feitsomschrijving in, doch slechts de kwalificatie "participation in drug trafficking and drug trafficking". Aldus heeft de Rechtbank verzuimd, naar de eis van art. 28, derde lid, Uitleveringswet de feiten te vermelden waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan.
15. Ambtshalve heb ik geen andere dan de evengenoemde reden aangetroffen waarom de bestreden uitspraak niet in stand zou mogen blijven. De middelen ongegrond achtende concludeer ik daarom dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend voorzover is verzuimd daarbij de feiten te vermelden waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, en, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal vermelden dat de uitlevering kan worden toegestaan met het oog op strafvervolging ter zake van de feiten als hiervoren onder 4 zijn weergegeven, met verwerping van het beroep voor het overige.
Voor de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Waarnemend Advocaat-Generaal