ECLI:NL:PHR:2001:ZD2556

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
02007/99
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 57 SrArt. 62 SrArt. 440 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste kwalificatie en strafoplegging bij opiumwetzaak

In deze zaak werd de verdachte door de politierechter veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, onder B, van de Opiumwet, meermalen gepleegd. Het betrof de verkoop van kleine hoeveelheden hennepproducten aan meerdere afnemers in de gemeente Enschede.

De Hoge Raad constateerde dat de kwalificatie door de politierechter onjuist was. De juiste kwalificatie luidt 'medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3 van Pro de Opiumwet gegeven verbod, driemaal gepleegd', conform artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet. Daarnaast werd ten onrechte artikel 57 van Pro het Wetboek van Strafrecht toegepast in plaats van artikel 62, waardoor voor elke overtreding afzonderlijk straf moet worden opgelegd.

De Hoge Raad oordeelde dat vernietiging van het vonnis noodzakelijk is voor wat betreft de kwalificatie en de strafoplegging. De zaak wordt terugverwezen naar de politierechter in Almelo voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest vernietigt de kwalificatie en strafoplegging en verwijst de zaak terug voor nieuwe strafoplegging.

Conclusie

Mr Jörg
Nr. 02007/99
Zitting 13 februari 2001
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. De politierechter in de arrondissementsrechtbank te Almelo heeft verzoeker bij vonnis van 3 december 1998 ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van ƒ 1500,- subsidiair 30 dagen hechtenis.
2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.
3. Ambtshalve wil ik de aandacht van Uw Raad vragen voor het volgende.
4. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat:
"hij op 16 mei 1998 in de gemeente Enschede, meermalen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander heeft verkocht en afgeleverd aan: [afnemer 1] en [afnemer 2] en [afnemer 3], hoeveelheden van (telkens) niet meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish) en/of van een materiaal (marihuana) bevattende hennep, zijnde hashish en hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II."
5. De politierechter heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "medeplegen van opzettelijk (curs.v. NJ) handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd". Deze kwalificatie dient echter zowel in het licht van de bewezenverklaring, als in dat van het bepaalde in art. 11, vijfde lid, Opiumwet te luiden: "medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3 van Pro Opiumwet gegeven verbod, driemaal gepleegd." De Hoge Raad kan die kwalificatie zelf verbeteren (vgl. HR 30 januari 2001, griffienummer 02203/00/E en HR 1 december 1998, NJ 1999, 180).
6. Voorts heeft de politierechter ten onrechte art. 57 Sr Pro toegepast in plaats van - met toepassing van art. 62 Sr Pro - voor elke overtreding afzonderlijk straf op te leggen. Mijns inziens kan niet gezegd worden dat vernietiging voor wat betreft de strafoplegging achterwege kan blijven omdat verzoeker daarbij geen belang zou hebben (vgl. HR 1 december 1998, NJ 1999, 180). De politierechter, overwegende dat de strafoplegging in overeenstemming is met de ernst en de aard van de misdrijven, heeft bij de strafoplegging kennelijk tot uitgangspunt genomen de straf die ter zake van misdrijven kan worden opgelegd. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat ter zake van drie overtredingen in totaal een lagere straf zal worden opgelegd dan voor een misdrijf dat meermalen is gepleegd. De feitenrechter zal de zaak voor wat betreft de strafoplegging dan ook opnieuw dienen te bezien (vgl. HR 30 januari 2001, griffienummer 02203/00/E).
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de kwalificatie en de strafoplegging, tot verbetering van de kwalificatie in de hiervoor onder 5 vermelde zin, tot terugwijzing van de zaak naar de (politierechter in de) arrondissementsrechtbank te Almelo opdat de zaak voor wat betreft de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden