ECLI:NL:PHR:2001:ZD2565

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 april 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
02553/00
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 359 SrArt. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt voorwaardelijk opzet bij poging tot doodslag met vuurwapen

Op 28 november 1998 schoot de verdachte in Rotterdam met een vuurwapen op een persoon, waarbij het slachtoffer werd geraakt. Het hof stelde vast dat de verdachte bekend was met de werking van het wapen en dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het wapen zou afgaan en het slachtoffer zou treffen. De verdachte voerde aan dat hij de trekker niet bewust had overgehaald, maar mogelijk te hard in het wapen had geknepen.

Het hof achtte het voorwaardelijk opzet bewezen en verwierp het verweer dat het wapen defect was en vanzelf was afgegaan. De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf voor poging tot doodslag. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewezenverklaring voldoende had gemotiveerd en dat de verklaring van de verdachte niet in de weg stond aan het bewijs van voorwaardelijk opzet.

De Hoge Raad benadrukte dat het opzet niet alleen subjectief wordt beoordeeld, maar ook objectief wordt vastgesteld aan de hand van de gedragingen van de verdachte. De gedragingen van de verdachte, waaronder het dragen van een geladen revolver en het richten op het slachtoffer, spraken duidelijk voor opzet. De klachten van de verdachte over de motivering en het technische rapport werden verworpen. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte voor poging tot doodslag met voorwaardelijk opzet en verwerpt het cassatieberoep.

Conclusie

Mr Jörg
Nr. 02553/00
Zitting 13 februari 2001
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft - met vernietiging van een vrijsprekend vonnis van de rechtbank te Rotterdam - bij arrest van 8 maart 2000 verzoeker vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder primair tenlastegelegde feit en hem ter zake van subsidiair "poging tot doodslag" veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van ƒ 5536,90 en voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, waarbij de vervangende hechtenis die verzoeker bij gebreke van volledige betaling of volledig verhaal dient te ondergaan op 55 dagen is gesteld.
2. Namens verzoeker heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. Het cassatieberoep richt zich kennelijk niet tegen de gegeven vrijspraak.
3. De middelen klagen erover dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
4. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat:
"hij op 28 november 1998 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [betrokkene C] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen één kogel heeft geschoten in de richting van die [betrokkene C], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."
5. In een nadere bewijsoverweging heeft het hof met betrekking tot bewijs van het opzet overwogen:
"Het hof acht het opzet in de zin van het voorwaardelijk opzet bewezen. De verdachte heeft verklaard dat hem bij de aanschaf van het wapen (met munitie) de werking daarvan is uitgelegd, in het bijzonder dat de hamer naar achteren, althans in de achterste stand, moest worden gebracht om het wapen schietklaar te maken. Ook al zou ervan moeten worden uitgegaan dat de verdachte aan het onder de (bijrijders-) stoel klem zittende (geladen) wapen heeft moeten trekken alvorens dit ter hand te nemen - daarbij suggererend dat door dat trekken het wapen schietklaar is geraakt -, dan moet de verdachte - bekend als hij was met werking van dat wapen - toen de reële mogelijkheid beseft hebben dat het wapen nu doorgeladen was. Niettemin heeft hij dat doorgeladen wapen in zijn rechterhand genomen en (vide de verklaringen van [betrokkene A], [betrokkene B] en [betrokkene C]) langs de bestuurder zijn arm omhoog gebracht in de richting van het zich op korte afstand bevindende slachtoffer, waarna een schot afging dat het slachtoffer linksboven in de borst heeft geraakt. De verdachte heeft weliswaar aangevoerd dat hij niet bewust de trekker heeft overgehaald maar hij heeft ook verklaard dat hij mogelijk te hard in het wapen heeft geknepen, terwijl hij blijkens de verklaringen van [betrokkene B] en [betrokkene A] kort na het schot heeft gezegd dat hij ernaast heeft geschoten. Op grond van vorenbeschreven feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat de verdachte in ieder geval desbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het wapen zou afgaan en dat het slachtoffer dodelijk zou worden getroffen. De stelling dat het wapen dermate defectueus was dat het geheel vanzelf - dus zonder enige door de verdachte op de trekker uitgeoefende druk - is afgegaan is niet aannemelijk en vindt in het bijzonder geen steun in het zich bij de processtukken bevindende technische rapport."
6. Het eerste middel klaagt erover dat de als bewijsmiddel 1 tot het bewijs gebezigde verklaring van verzoeker, voorzover inhoudende: "Ik heb de trekker niet bewust overgehaald, misschien heb ik te hard in het wapen geknepen", niet verenigbaar is met de in de nadere bewijsoverweging vervatte overweging van het hof dat verzoeker desbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het wapen zou afgaan.
7. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verzoeker zittende op de bijrijdersstoel het wapen waarvan hij in ieder geval had behoren te beseffen dat het doorgeladen kon zijn in zijn rechterhand heeft genomen en die hand langs de bestuurder heeft uitgestrekt in de richting van het slachtoffer [betrokkene C] dat zich voorovergebogen voor het open raam aan de bestuurderszijde, dus op korte afstand van verzoeker en het in de hand van diens uitgestrekte rechterarm bevindende wapen, bevond.
8. Het hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging onder verwijzing naar het zich bij de stukken bevindende technisch rapport voorts vastgesteld dat het wapen niet dusdanig defectueus was dat het geheel vanzelf - dus zonder enige door verzoeker op de trekker uit te oefenen druk - is afgegaan.
9. Gelet daarop is de in het middel bedoelde verklaring van verzoeker voorzover inhoudende dat hij misschien te hard in het wapen heeft geknepen redengevend voor het bewijs van het voorwaardelijk opzet. Door onder de hiervoor onder 7 geschetste omstandigheden in het mogelijk doorgeladen wapen te knijpen, welke term het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus heeft begrepen dat daarbij in ieder geval druk op de trekker is uitgeoefend, heeft verzoeker - zoals het hof terecht heeft geoordeeld - zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het op [betrokkene C] gerichte wapen zou afgaan en dat laatstgenoemde daardoor dodelijk zou worden getroffen.
10. Voorzover verzoekers tot het bewijs gebezigde verklaring inhoudt dat hij de trekker niet bewust heeft overgehaald, klaagt het middel er terecht over dat die verklaring in zoverre niet redengevend is voor het bewijs van het voorwaardelijk opzet. Dit niet redengevende gedeelte van het bewijsmiddel is in het kader van de overige, wel redengevende feiten en omstandigheden bevattende inhoud van de bewijsmiddelen van zodanig ondergeschikt belang dat dit een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring evenwel niet in de weg staat (vgl. HR 23 oktober 1990, DD 91.073; HR 6 oktober 1998, NJ 1998, 912).
11. Het middel faalt derhalve.
12. Niet van belang ontbloot lijkt mij trouwens dat het hof heeft overwogen dat verzoeker tenminste met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld. Wanneer het bewijs van opzet volkomen afhankelijk zou zijn van wat een dader omtrent zijn eigen zieleroerselen zou verklaren zouden vele opzetdelicten niet bewezen kunnen worden. In de dogmatiek is daarom gewezen op een zekere normativering van het opzet, waardoor het puur psychologische en subjectieve aspect van opzet enigszins wordt verdrongen. Het gaat niet alleen om de puur subjectieve voorstelling van de dader: wat heeft hij nu werkelijk geweten en gewild? Het gaat ook om de intentie die uit de uiterlijk waarneembare gedraging spreekt: een zekere objectivering dus (vgl. De Hullu, Materieel strafrecht, 2000, p. 215). Bij gedragingen die minder `sprekend' zijn zal een belangrijker rol zijn weggelegd voor een onderzoek naar wat de dader zelf heeft geweten en gewild, en naar de risico's die hij welbewust op de koop toe heeft genomen, terwijl bij gedragingen die `sprekender' zijn de dader met een sterk verhaal moet komen om het uit zijn gedraging sprekende opzet met succes te kunnen ontkennen.
13. Naar mijn oordeel is de gedraging van verzoeker er een waaruit het opzet uitbundig naar voren springt: verzoeker gaat altijd met een geladen revolver op zak het Rotterdamse uitgaansleven in; wanneer hij in het openbaar in een prullenbak watert en daarvoor commentaar oproept van passanten roept hij ze sarrende woorden na; wanneer een van die passanten vervolgens bij het andere raam dan waarachter verzoeker inmiddels in een auto is gaan zitten om opheldering vraagt, pakt verzoeker zijn geladen revolver, richt op korte afstand op deze persoon en lost een schot. Het verweer: ik ben me er niet bewust van geweest dat ik de haan heb gespannen, verdient in deze constellatie van feiten en omstandigheden weinig geloof. Dat is dan een typisch voorbeeld van een geval waarin het puur psychologische opzetbegrip plaats maakt voor een meer normatief opzetbegrip. In die zin dient dunkt me de overweging van het hof te worden verstaan.
14. Het tweede middel klaagt over de onbegrijpelijkheid van de nadere bewijsoverweging van het hof en valt uiteen in twee klachten.
15. De eerste klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat verzoeker de reële mogelijkheid moet hebben beseft dat het wapen doorgeladen was onbegrijpelijk is, aangezien uit niets volgt dat de trekbewegingen die verzoeker heeft gemaakt om het onder de bijrijdersstoel klem zittende wapen in handen te krijgen gelijkgesteld kunnen worden met het naar achteren brengen van de hamer, althans het in de achterste stand zetten daarvan.
16. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft verzoeker aldaar onder meer aangevoerd:
"Ik probeerde het wapen voorlangs tussen mijn benen door onder de stoel vandaan te pakken. Dit lukte eerst niet omdat het wapen klemde. Bij het onder de stoel vandaan pakken van het wapen heb ik aan het wapen gemorreld. Ik heb er niet aan gedacht dat dat gevaarlijk kon zijn. Tenslotte kreeg ik het wapen los."
17. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, heeft het hof niet geoordeeld dat de bewegingen die verzoeker met het onder de bijrijdersstoel klem zittende en geladen wapen heeft gemaakt om dit in handen te kunnen krijgen ertoe hebben geleid dat de hamer van het wapen naar achteren is gegaan, althans in de achterste stand terecht is gekomen, maar heeft het hof - uitgaande van verzoekers lezing dat door het morrelen aan het wapen ertoe heeft geleid dat het is doorgeladen - uiteengezet waarom ook indien van de juistheid daarvan wordt uitgegaan verzoeker geacht moet worden zich dat te hebben gerealiseerd. De klacht berust derhalve op een onjuiste lezing van 's hofs arrest.
18. De tweede klacht luidt dat de verwijzing door het hof naar het technische rapport ter verwerping van het verweer dat het wapen zodanig defectueus is dat het geheel vanzelf is afgegaan onbegrijpelijk is, aangezien is verzuimd te specificeren om welk onderdeel van het rapport het gaat.
19. Deze klacht faalt, aangezien geen enkele rechtsregel het hof verplicht aan te geven aan welk onderdeel van het vier pagina's tellende technisch rapport - waarvan het onderzoek aan het wapen en de uit dat onderzoek getrokken conclusie slechts anderhalve pagina in beslag neemt - het zijn oordeel ontleent dat het wapen niet vanzelf kan zijn afgegaan. Dat oordeel vindt overigens zijn bevestiging in de onderste twee regels van p. 1 en de bovenste vier regels van p. 2 van dat rapport.
20. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
21. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden