ECLI:NL:PHR:2001:ZD2565
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voorwaardelijk opzet bij poging tot doodslag met vuurwapen
Op 28 november 1998 schoot de verdachte in Rotterdam met een vuurwapen op een persoon, waarbij het slachtoffer werd geraakt. Het hof stelde vast dat de verdachte bekend was met de werking van het wapen en dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het wapen zou afgaan en het slachtoffer zou treffen. De verdachte voerde aan dat hij de trekker niet bewust had overgehaald, maar mogelijk te hard in het wapen had geknepen.
Het hof achtte het voorwaardelijk opzet bewezen en verwierp het verweer dat het wapen defect was en vanzelf was afgegaan. De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf voor poging tot doodslag. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewezenverklaring voldoende had gemotiveerd en dat de verklaring van de verdachte niet in de weg stond aan het bewijs van voorwaardelijk opzet.
De Hoge Raad benadrukte dat het opzet niet alleen subjectief wordt beoordeeld, maar ook objectief wordt vastgesteld aan de hand van de gedragingen van de verdachte. De gedragingen van de verdachte, waaronder het dragen van een geladen revolver en het richten op het slachtoffer, spraken duidelijk voor opzet. De klachten van de verdachte over de motivering en het technische rapport werden verworpen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte voor poging tot doodslag met voorwaardelijk opzet en verwerpt het cassatieberoep.