ECLI:NL:PHR:2001:ZD2606
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring vervolging wegens schending redelijke termijn in bosbouwherplantingszaak
In deze zaak werd de rechtspersoon en haar bestuurders vervolgd wegens het niet voldoen aan de bosbouwkundige herbeplantingsplicht, waarbij de bedrijfsvoering was afgestemd op een eerdere vrijspraak uit 1982. De officier van justitie had in 1991 een ultimatum gesteld om uiterlijk 1 mei 1992 alsnog aan de herbeplantingsplicht te voldoen, waarna bij uitblijven van aanpassing vervolging zou volgen.
Het hof stelde vast dat de redelijke termijn voor vervolging begon te lopen vanaf mei 1992, ondanks dat het onderzoek pas in 1995 werd gestart en de eerste verhoren plaatsvonden. De vertraging in de procedure, mede veroorzaakt door overbelasting van de rechtbank en het uitblijven van voortvarendheid bij het openbaar ministerie, werd aan de vervolgende overheid toegerekend.
Het hof oordeelde dat de rechtspersoon en haar bestuurders een groot belang hadden bij een snelle rechtsgang vanwege de impact op de bedrijfsvoering en investeringen. Gelet op de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en het afgenomen maatschappelijk belang door compensatie van de nalatigheid, verklaarde het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de klachten over het aanvangstijdstip van de redelijke termijn, de betrokkenheid van stukken uit een ander dossier en het vermeende schenden van het equality of arms-beginsel. De Hoge Raad benadrukte dat de overschrijding van de redelijke termijn zwaarwegend was en dat het belang van de verdachte bij een spoedige behandeling zwaarder woog dan het belang van de samenleving bij vervolging in deze omstandigheden.
Uitkomst: Het openbaar ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn.