ECLI:NL:PHR:2001:ZD2637
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens nietige betekening inleidende dagvaarding en nietigheid dagvaarding
De Hoge Raad behandelt een cassatiezaak waarin de geldigheid van de betekening van de inleidende dagvaarding centraal staat. De verdachte was veroordeeld door het Gerechtshof Arnhem wegens diefstal tot een geldboete en subsidiair hechtenis. De dagvaarding was echter niet rechtsgeldig betekend, omdat deze tevergeefs was aangeboden op het adres van de verdachte en later teruggezonden zonder dat deze aan de griffier was uitgereikt of als gewone brief was verzonden.
De Hoge Raad overweegt dat klachten over de betekening van de dagvaarding in cassatie niet meer aan de orde kunnen komen als de verdachte of zijn raadsman in hoger beroep de gelegenheid heeft gehad deze klachten naar voren te brengen, maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt. In deze zaak was de verdachte weliswaar aanwezig bij een eerdere terechtzitting, maar toen was het onderzoek geschorst en was hij niet op de hoogte van de zaak. Op de latere zitting waarop het arrest berustte was hij niet aanwezig en niet vertegenwoordigd.
Daarom kan niet worden gezegd dat de verdachte in hoger beroep de gelegenheid onbenut heeft gelaten om te klagen over de betekening. De Hoge Raad concludeert dat de inleidende dagvaarding niet rechtsgeldig is betekend en verklaart deze nietig. Het bestreden arrest wordt vernietigd, behoudens het deel waarin het vonnis van de politierechter is vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart de inleidende dagvaarding nietig wegens ongeldige betekening.