ECLI:NL:PHR:2001:ZD2782
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over schending redelijke termijn en rechtsongelijkheid bij vervolging art. 461 Sr
In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over een cassatieberoep betreffende een veroordeling wegens het zonder toestemming betreden van een terrein (art. 461 Sr Pro). Verzoekster stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden vanwege schending van de redelijke termijn en rechtsongelijkheid in de strafoplegging.
De Hoge Raad constateerde dat er in de cassatiefase sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna 19 maanden tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken bij de Hoge Raad, en een totaal van circa 27 maanden tot de eerste behandeling. Dit is in strijd met de norm van een maximale inzendtermijn van acht maanden, zonder dat bijzondere omstandigheden deze vertraging rechtvaardigen.
Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat deze termijnoverschrijding niet ernstig genoeg was om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. De sanctie van niet-ontvankelijkheid is uitzonderlijk en alleen bij zeer ernstige schendingen passend. Ook werd geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende was onderbouwd. De aangevoerde stukken toonden geen vergelijkbare gevallen aan die tot rechtsongelijkheid zouden leiden. Bovendien was het verzoek om inzicht in strafopleggingen in soortgelijke zaken niet ontvankelijk.
De overige middelen, waaronder een beroep op schending van internationaal recht en motivering van de strafoplegging, werden eveneens verworpen wegens onvoldoende onderbouwing of niet voldoen aan cassatievereisten. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van de lagere rechter en wees het cassatieberoep af.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks schending van de redelijke termijn in de cassatiefase; het OM wordt niet niet-ontvankelijk verklaard.