ECLI:NL:PHR:2001:ZD2845
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op tegenonderzoek DNA-uitslag en mededelingsplicht aan verdachte
In deze zaak is de verdachte door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens meervoudige verkrachting tot een gevangenisstraf van twee jaren. Namens de verdachte werd cassatie ingesteld met het middel dat het DNA-onderzoek onrechtmatig was verkregen omdat de uitslag niet rechtstreeks aan de verdachte was medegedeeld.
Het hof had geoordeeld dat de verdachte tijdens de voorgeleiding aan de rechter-commissaris vrijwillig had ingestemd met celafname voor DNA-onderzoek en dat de uitslag weliswaar niet rechtstreeks aan de verdachte was medegedeeld, maar wel aan diens raadsman. De raadsman was op de hoogte van het recht op een tegenonderzoek, maar had hier geen gebruik van gemaakt. De verdachte bevestigde vrijwillige medewerking aan het DNA-onderzoek.
De Hoge Raad bevestigt dat het recht op een tegenonderzoek en de mededelingsplicht aan de verdachte of diens raadsman belangrijke waarborgen zijn vanwege de grote bewijskracht van DNA-onderzoek en de mogelijke fouten die kunnen optreden. Het verzuim om de uitslag rechtstreeks aan de verdachte mede te delen leidt niet automatisch tot onrechtmatigheid, zeker niet als een tegenonderzoek nog mogelijk is en de raadsman op de hoogte is gesteld.
De Hoge Raad concludeert dat het hof het verweer op voldoende gronden heeft verworpen en dat het cassatiemiddel faalt. Er is geen reden om de bestreden uitspraak te vernietigen, zodat het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het DNA-onderzoek en de mededeling aan de raadsman zijn rechtmatig.