ECLI:NL:PHR:2001:ZD2880

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
03667/00
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 1 onder d VOGPArt. 10 lid 2 SrArt. 10 lid 3 SrArt. 10 lid 4 SrArt. 15 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over de omzetting en strafoplegging levenslange gevangenisstraf uit Duitsland in Nederland

De zaak betreft de omzetting van een Duitse levenslange gevangenisstraf naar een Nederlandse strafoplegging. De raadsman van de veroordeelde voerde aan dat de Nederlandse rechter gebonden zou zijn aan het Duitse penitentiaire maximum van 15 jaar, zoals bepaald in paragraaf 57a van het Duitse Wetboek van Strafrecht. De rechtbank verwierp dit standpunt en oordeelde dat een dergelijke binding niet redelijk is omdat dit een niet bedoeld voordeel voor de veroordeelde zou betekenen.

De Hoge Raad stelt dat het onderzoek naar het al dan niet verzwaard worden van de strafrechtelijke positie van de veroordeelde bij omzetting niet altijd met precisie kan worden vastgesteld, mede vanwege onzekerheden rondom de duur van de detentie in het buitenland. De rechter moet met inachtneming van alle omstandigheden, waaronder buitenlandse en Nederlandse regels omtrent voorwaardelijke invrijheidstelling en gratie, beoordelen of de strafrechtelijke positie wordt verzwaard.

De Hoge Raad constateert dat de rechtbank zich niet heeft verdiept in deze beoordeling en zich onterecht heeft laten leiden door het uitgangspunt dat de veroordeelde geen voordeel mag ondervinden van het uitzitten van de straf in Nederland. Ook is het feit dat de Duitse levenslange straf een Gesamtstrafe is niet relevant voor deze beoordeling.

De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden vonnis en wijst de zaak terug aan de rechtbank te 's-Gravenhage voor een nieuw onderzoek en beslissing, waarbij de rechtbank de vereiste beoordeling moet uitvoeren en de toepasselijke verdragsbepalingen moet betrekken.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de strafoplegging met inachtneming van de verzwaringsbeoordeling.

Conclusie

Mr Jörg
Nr. 03667/00/W
Zitting 15 mei 2001
(bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij uitspraak van 3 oktober 2000 heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het vonnis van het Landgericht Duisberg van 21 mei 1999 en ter zake van de bij dat vonnis ten laste van verzoeker bewezenverklaarde feiten - evenals de Duitse rechter - een levenslange gevangenisstraf opgelegd.
2. Namens verzoeker heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de Nederlandse exequaturrechter is gebonden aan het in paragraaf 57a van het Duitse Wetboek van Strafrecht voorziene penitentiair maximum.
4. De rechtbank heeft in het kader van de strafoplegging - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - als volgt overwogen:
"Ten aanzien van de in Nederland op te leggen straf heeft de raadsman aangevoerd dat een levenslange gevangenisstraf in Duitsland zich in het onderhavige geval beperkt tot een gevangenisstraf voor de duur van maximaal (effectief) 15 jaar. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij de wettelijke bepalingen van paragraaf 57a van het Duitse Wetboek van Strafrecht overgelegd, alsmede een aan hem gerichte brief van een Duitse collega, bevattende diens interpretatie van die bepalingen.
Wat daar van zij, deze door de raadsman bepleite binding van de Nederlandse exequaturrechter aan het bij paragraaf 57a van het Duitse Wetboek van Strafrecht voorziene penitentiaire maximum -indien deze paragraaf daartoe naar Duits recht al zou leiden - acht de rechtbank niet redelijk.
Die binding zou betekenen dat de Nederlandse rechter bij de strafoplegging gehouden zou zijn, ongeacht de bijzondere ernst van de feiten, een gevangenisstraf op te leggen van maximaal 20 jaar. Een gevangenisstraf van 20 jaar is met inachtneming van Nederlandse regeling ten aanzien van de vervroegde invrijheidstelling effectief ongeveer 13 jaar en 4 maanden. De door de raadsman voorgestane binding zou een niet bedoeld en niet te rechtvaardigen voordeel voor de veroordeelde betekenen, hetgeen door de rechtbank niet kan worden aanvaard (curs. v. NJ). Hierbij dient bovendien bedacht te worden dat de door de Duitse rechter opgelegde levenslange gevangenisstraf een zogenaamde Gesamtstrafe is voor feiten die -waren zij afzonderlijk berecht- in Duitsland aanleiding hadden gegeven tot het opleggen van gevangenisstraffen van 8 jaar voor feit 1, 9 jaar voor feit 2, levenslang voor feit 3, 5 jaar voor feit 4 en 4 jaar voor feit 5.
Het effect van de door de raadsman voorgestane werking van paragraaf 57a van het Duitse Wetboek van Strafrecht kan in Nederland slechts verkregen worden door het toepassen van gratie."
5. De in de onderhavige casus centraal staande problematiek heeft Uw Raad reeds eerder te beoordelen gehad en wel in de zaak die heeft geleid tot HR 9 november 1999, NJ 2000, 334 m.nt. Swart, aan welke uitspraak de steller van het middel tot mijn verrassing niet refereert. In dat verband heeft Uw Raad onder meer overwogen:
"4.4.1. Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad het volgende voorop. Het onderzoek dat de rechter moet instellen als de veroordeelde het verweer voert dat door de omzetting van de straf de strafrechtelijke positie van hem dreigt te worden verzwaard als bedoeld in art. 11, eerste lid onder d, van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Trb. 1983, 74) zal niet steeds kunnen resulteren in een met precisie te geven antwoord. De werkelijke duur van de detentie in het buitenland is - alhoewel gebruikelijk ingebed in een systeem van vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling dat veelal in beginsel kenbaar is - dikwijls afhankelijk van omstandigheden en beslissingen die ten tijde van de executieovername nog onbekend zijn. Dat kan ertoe leiden dat de rechter zijn oordeel noodgedwongen moet baseren op de waarschijnlijkheid van de onderscheiden strafrechtelijke positie van de veroordeelde in de staat van veroordeling dan wel de staat van tenuitvoerlegging (vgl. HR 16 december 1997, DD 98.119).(1)
4.4.2. Indien de rechter van oordeel is dat - in navolging van het buitenland - de oplegging van levenslange vrijheidsstraf geboden is, doet zich niet alleen de onzekerheid ten aanzien van de werkelijke duur van de tenuitvoerlegging van die straf in het buitenland voor, maar mist de rechter bovendien het richtsnoer van de art. 15 en Pro 15a Sr bij zijn oordeel omtrent de werkelijk te verwachten strafduur bij de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf in Nederland. In dat geval dient de rechter met inachtneming van alle bekende - buitenlandse en Nederlandse - omstandigheden, waartoe ook gerekend kunnen worden de wettelijke bepalingen inzake de voorwaardelijke of vervroegde invrijheidstelling en gegevens omtrent de(2) een instrument als gratieverlening gebruikelijkerwijs bepaalde feitelijke praktijk bij de tenuitvoerlegging van levenslange vrijheidsstraffen, de waarschijnlijkheid te beoordelen dat de strafrechtelijke positie van de betrokkene wordt verzwaard. Bij een te dien aanzien gevoerd verweer moet de rechter ook blijk geven zodanig onderzoek te hebben ingesteld."
6. Art. 11, eerste lid aanhef en onder d, VOGP houdt evenals art. 10, tweede lid, van dat Verdrag een verbod in voor de exequaturrechter om de strafrechtelijke positie van de veroordeelde te verzwaren. De rechtbank heeft zich evenwel in het geheel niet verdiept in de vraag of de strafrechtelijke positie van de veroordeelde zou kunnen worden verzwaard door het opleggen van een levenslange gevangenisstraf, maar heeft zich blijkens haar door mij gecursiveerde overwegingen laten leiden door het uitgangspunt dat de veroordeelde geen voordeel mag ondervinden van de omstandigheid dat hij zijn straf in Nederland kan uitzitten, hetgeen het geval zou zijn als een tijdelijke gevangenisstraf zou worden opgelegd omdat dit er bij oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf in overeenstemming met het bepaalde in art. 10, derde en vierde lid, Sr toe zou leiden dat verzoeker uiterlijk na dertien jaren en vier maanden in vrijheid zou worden gesteld. Aldus overwegende heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel klaagt daar terecht over.
7. Dat de in Duitsland opgelegde levenslange gevangenisstraf een Gesamtstrafe is, is - anders dan de rechtbank overweegt - in dit verband niet relevant en doet aan het vorenoverwogene niet af.
8. Dit betekent overigens niet dat aan verzoeker geen levenslange gevangenisstraf zou kunnen worden opgelegd, maar dan had de rechtbank eerst een onderzoek dienen in te stellen zoals door de Hoge Raad in het hierboven onder 5 aangehaalde arrest (rov. 4.4.2, laatste volzin) voorgeschreven. Indien zij op basis daarvan tot het oordeel was gekomen dat het onwaarschijnlijk zou zijn dat de strafrechtelijke positie van de veroordeelde zou worden verzwaard door de oplegging van een levenslange gevangenisstraf, had zij tot de oplegging daarvan kunnen overgaan en had haar oordeel de motiverings- en begrijpelijkheidstoets wel(licht) kunnen doorstaan (vgl. HR NJ 2000, 334 m.nt. Swart en HR NJ 1998, 369).
9. Ambtshalve wijs ik er nog op dat de rechtbank heeft verzuimd als toepasselijke verdragsbepalingen de artikelen 3, 6 en 11 VOGP aan te halen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, opdat de zaak opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Intussen gepubliceerd in NJ 1998, 369.
2 Vermoedelijk ontbreekt hier het woord `door'. Ook is mogelijk dat met het even verder voorkomende woord `bepaalde' bedoeld is: `bepalende'.