ECLI:NL:PHR:2001:ZD2905
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanmerkelijke onvoorzichtigheid bij politiegebruik vrijstelling verkeersregels
In deze zaak stond centraal of een politieagent die tijdens zijn werkzaamheden gebruikmaakte van een vrijstelling van verkeersregels, zich schuldig had gemaakt aan aanmerkelijke onvoorzichtigheid in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. De agent had met te hoge snelheid een bocht genomen, waardoor hij de macht over het stuur verloor en een ongeval veroorzaakte met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
De Hoge Raad bekeek de toepasselijkheid van de vrijstelling die politieambtenaren onder bepaalde voorwaarden toestaat af te wijken van verkeersregels. Deze vrijstelling is echter beperkt door de eis dat de veiligheid van het verkeer zoveel mogelijk moet worden gewaarborgd. De Hoge Raad oordeelde dat het veroorzaken van evident gevaar of een reële kans daarop in strijd is met deze voorwaarde.
De rechtbank en het hof hadden vastgesteld dat de agent aanmerkelijk onvoorzichtig had gereden en daarmee de veiligheid van het verkeer niet had gewaarborgd. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees erop dat hinder van het verkeer onder bepaalde omstandigheden geoorloofd kan zijn, maar evident gevaar niet. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling van de agent in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de politieagent werd verworpen, waarmee zijn veroordeling voor aanmerkelijke onvoorzichtigheid en de opgelegde straf in stand bleven.