ECLI:NL:PHR:2002:AA8405

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00144/99 II
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 SrArt. 5 Wet op de accijnsArt. 96 Wet op de accijnsArt. 171 lid 1 jo lid 6 AWDAArt. 54a AWDA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens deelname aan organisatie voor grootschalige sigarettensmokkel en valsheid in geschrift

De zaak betreft een verdachte die door het gerechtshof te 's-Gravenhage is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens deelname aan een organisatie met het oogmerk het plegen van misdrijven, medeplegen van onjuiste goederenaangiften met het oogmerk belastingontduiking, overtreding van de Wet op de accijns en valsheid in geschrift.

De kern van het geschil is of in Nederland invoerrechten of belastingen verschuldigd zijn geworden voor sigaretten die via Nederland in de Europese Gemeenschap werden ingevoerd en in Italië werden gelost, terwijl de officiële bestemming buiten de EG lag. Het hof stelde vast dat de sigaretten frauduleus onder valse T1-documenten waren geplaatst, waardoor de douaneschuld in Nederland ontstond.

Bewijsmiddelen toonden aan dat de verdachte aan het hoofd stond van de organisatie die de smokkel uitvoerde, dat hij betrokken was bij besprekingen en financiële afspraken in Nederland, en dat de valsheid in geschrift in Nederland plaatsvond. De Hoge Raad verwierp alle cassatiemiddelen, waaronder betwisting van het bewijs en overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad bevestigde dat deelname aan een organisatie die het oogmerk heeft misdrijven te plegen strafbaar is, ook als de misdrijven nog niet daadwerkelijk zijn gepleegd. De bewezenverklaring van medeplegen van valsheid in geschrift in Nederland is voldoende gemotiveerd. Het beroep in cassatie wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot zes jaar gevangenisstraf voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van valsheid in geschrift en accijnsontduiking.

Conclusie

Nr. 00144/99
Mr Machielse
Zitting: 14 maart 2000
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf wegens 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 2. primair "medeplegen van het doen van een onjuiste of onvolledige opgave in een krachtens wettelijke bepaling vereiste goederenaangifte met het oogmerk de belasting van de goederen geheel of ten dele te ontduiken of de ontduiking te bevorderen, meermalen gepleegd", 3. primair "medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van Pro de Wet op de accijns neergelegd verbod, meermalen gepleegd" en 4. primair "medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd".
2. Namens verzoeker heeft mr M. Moszkowicz, advocaat te Roermond, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
Deze zaak hangt samen met de zaken met de griffienummers 00133/99, 00140/99, 00146/99, 00147/99, 00149/99 waarin ik heden eveneens concludeer.
3.1. De kernvraag die in deze zaak beantwoord moet worden is of in Nederland invoerrechten of belastingen verschuldigd zijn geworden voor sigaretten die via Nederland in de EG zijn ingevoerd en in Italië zijn gelost, terwijl de officiële en vals opgegeven bestemming van de goederen buiten de EG gelegen was.
3.2. Die vraag moet bevestigend worden beantwoord. Ik citeer uitvoerig uit HR NJ 1999,785, een zaak waarin textiel niet gelost werd in het officiële land van bestemming binnen de EG, Griekenland, maar in Italië, en waarin valse stempels op de T-1-formulieren in Nederland de indruk moesten wekken dat de documenten gezuiverd konden worden:
"3.5. Volgens art. 2 van Pro de hier toepasselijke EEG-verordening nr. 2144/87 ontstaat een douaneschuld bij invoer wanneer goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden gebracht. Ingevolge art. 3 van Pro genoemde verordening ontstaat die schuld dan op het moment waarop de goederen onder de regeling zijn geplaatst waarvan later de voorwaarden blijken niet te zijn nagekomen. In het onderhavige geval zijn de goederen bij de aangifte in Nederland onder de T-1-regeling geplaatst. Blijkens de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen hield de handelwijze van de in de tenlastelegging genoemde organisatie in dat met gebruikmaking van valse bescheiden de schijn werd gewekt dat de goederen in Griekenland waren ingevoerd en dat derhalve uit hoofde van de T-1 regeling geen invoerrechten in Nederland verschuldigd waren. In aanmerking genomen dat, ingevolge voornoemde verordening, bij een onregelmatige invoer in de EG als waarvan in casu sprake is, een douaneschuld in Nederland ontstaat, kon het Hof op niet onbegrijpelijke wijze en zonder schending van enige rechtsregel daaruit afleiden dat het oogmerk van de organisatie erop was gericht door het doen van een onjuiste opgave te voorkomen dat een dergelijke douaneschuld zou ontstaan en aldus de belasting van de desbetreffende goederen in Nederland te ontduiken.
3.6. Voorzover het middel de klacht behelst dat het Hof heeft miskend dat de verschuldigde heffingen op de betrokken goederen in Italië moeten worden betaald en afgedragen omdat in dat land de goederen in het vrije verkeer zijn gekomen, faalt het. Blijkens de hiervoor genoemde bewijsmiddelen heeft het Hof immers vastgesteld dat de betrokken goederen met valse T-1 documenten in Italië op de markt zijn gebracht, zodat aan de vereiste formaliteiten voor invoer in de EG niet is voldaan. Dit betekent dat de goederen niet in het vrije verkeer zijn gekomen (vgl. HR 6 april 1999, NJB 1999, blz. 917, nr. 68)."
3.3. Blijkens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof, voor zover voor de beoordeling van het onderhavige middel van belang, vastgesteld dat:
- douane-expediteur [betrokkene 6] op de T1-douanedocumenten als uiteindelijke bestemming van de sigaretten Andorra, Gibraltar en Marokko vermeldde (bewijsmiddelen 2, 3, 4,);
- [betrokkene 6] op het moment van opmaken van de T1-douanedocumenten wist dat de desbetreffende sigaretten niet naar de opgegeven bestemmingen zouden worden vervoerd (bewijsmiddelen 3, 4, 6);
- de door de douane afgegeven T1-documenten op niet-reglementaire wijze in Spanje werden "gezuiverd" (bewijsmiddelen 3, 6, 7, 14);
- het verzegelde transport met sigaretten vanuit Rotterdam vertrok en dit in Belgie dan wel Luxemburg werd overgeladen in onverzegelde trailers, daarbij voorzien van een deklading, met als eindbestemming Italie (bewijsmiddelen 9, 10, 11, 14, 15, 19, 20).
3.4. Het gevolg van deze malversaties was dat de douanedocumenten niet konden worden gezuiverd (art.54a AWDA(1)) en dat de douaneschuld viel in de Lid-Staat van het kantoor van vertrek, en werd afgehandeld volgens het recht van die Lid-Staat. Art.204 van Pro het Communautair Douane Wetboek (CDW), dat sinds 1 januari 1994 van toepassing is, kent een vergelijkbare regeling als de door de Hoge Raad aangehaalde EEG-verordening nr. 2144/87.(2) Het tweede lid van art.204 CDW Pro bepaalt dat de douaneschuld ontstaat op het moment dat de goederen onder een bepaalde douaneregeling worden geplaatst als achteraf blijkt dat aan een van de voorwaarden voor de plaatsing van de genoemde goederen onder deze regeling niet is voldaan. De douaneschuld ontstaat volgens art.215 CDW Pro op de plaats waar de feiten zich voordoen die tot het ontstaan van deze schuld leiden.
Omdat - zoals gezegd - in strijd met de waarheid de sigaretten werden aangegeven in Nederland als te zijn bestemd voor doorvoer buiten het gemeenschapsgebied, terwijl zij in werkelijkheid voor Italië bestemd waren, zijn de sigaretten door toedoen van verdachten frauduleus onder een verkeerde douaneregeling geplaatst. Vóór 1 januari 1994 gold art.2 van Pro de EEG-Verordening nr. 2144/87, zoals door de Hoge Raad uitgelegd in HR NJ 1999,785, erna was art.204 CDW Pro van toepassing. Voor beide regimes staat vast dat de douaneschuld in Nederland ontstond.
3.5. Het eerste middel faalt deswege.
4.1. Het tweede middel berust eveneens op de stelling dat "de valsheid" van de documenten eerst gestalte kreeg op het moment dat de - onder de dekking daarvan - vervoerde sigaretten aan het douanetoezicht werden onttrokken. Deze stelling en de klacht die hierop voortborduurt, behoeven geen bespreking op grond van hetgeen hiervoor naar aanleiding van het eerste middel reeds is overwogen.
4.2. Ook dit middel faalt dus.
5.1. Voor zover het derde middel berust op de stelling dat de misdrijven van art. 5 jo Pro 96 Wet op de Accijns en art. 171 lid 1 jo Pro lid 6 AWD niet zouden zijn gepleegd, faalt het reeds om de redenen als hiervoor naar aanleiding van het eerste middel vermeld.
5.2. Ten overvloede merk ik op dat, voorzover de steller van het middel meent dat wanneer bovengenoemde misdrijven niet zouden zijn gepleegd, zij evenmin deel zouden hebben kunnen uitmaken van die waarop het oogmerk van de organisatie was gericht, dit op een misvatting van art. 140 Wetboek Pro van Strafrecht (WvSr) berust. Voor strafbaarheid terzake van art. 140 WvSr Pro is niet vereist dat reeds misdrijven of strafbare pogingen daartoe zijn begaan, er hoeven zelfs nog geen voorbereidingen getroffen te zijn(3). De organisatie waaraan wordt deelgenomen dient het plegen van misdrijven tot oogmerk te hebben. Voldoende is dat wordt beoogd misdrijven te plegen. Het oogmerk kan dus ook zien op in de toekomst te plegen misdrijven.
5.3. Het derde middel faalt dus eveneens.
6.1. Het vierde middel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.
6.2. Blijkens de cassatie-akte is het beroep in cassatie op 24 december 1998 ingesteld. Op 14 juni 1999 zijn vervolgens de stukken ter administratie van de Hoge Raad ontvangen. Die datum is bepalend voor de vaststelling of de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Nu nog geen zes maanden zijn verstreken tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst der stukken is er van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake.(4)
6.3. Het vierde middel is tevergeefs voorgesteld.
7.1. Het vijfde aanvullende middel klaagt over 's hofs bewezenverklaring onder 1. en 4. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou niet kunnen blijken dat verdachte dienaangaand in Nederland strafbare gedragingen heeft verricht.
7.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 25 november 1998 en de daarin geïnsereerde pleitnota heeft de verdediging aldaar - in essentie - gesteld dat bewijs ontbreekt voor door verzoeker in Nederland gepleegde strafbare feiten die deelneming aan een criminele organisatie dan wel medeplegen van valsheid in geschrifte kunnen opleveren.
7.3. Vooropgesteld is voor de beantwoording van de vraag of verdachte dezelfde persoon is als "[betrokkene 1]" van belang dat het hof gelet op zijn onder 2 gebezigde bewijsmiddel heeft vastgesteld dat, gelet op de verklaring van [medeverdachte 5],
a. [betrokkene 1] het hoofd is van de organisatie die zich heeft beziggehouden met de frauduleuze handelingen met de sigarettentransporten en dat [medeverdachte 5] van deze [betrokkene 1] een visitekaartje heeft ontvangen met daarop de naam [verdachte] (bedoeld zal zijn [verdachte], A.M.);
b. [medeverdachte 5] in september 1993 bij Euro Disney bij een bespreking is geweest waarbij tevens [betrokkene 1], [betrokkene 2], [medeverdachte 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], een Italiaan, [medeverdachte 3] en [betrokkene 5] aanwezig zijn geweest en
c. [medeverdachte 5] op 1 november 1993 naar [betrokkene 1] in Zwitserland is gegaan en aldaar bij [betrokkene 1] het bedrag dat als borg bij de douane in Nederland diende te worden gestort ter sprake heeft gebracht.
Uit bewijsmiddel 6, een verklaring van [medeverdachte 6], waarin deze spreekt over een samenkomst in Parijs omstreeks augustus 1993, waarbij ook [medeverdachte 5] aanwezig was, valt af te leiden dat daarbij ook aanwezig was "[betrokkene 1]".
[Medeverdachte 1] heeft verklaard (bewijsmiddel 16) dat [medeverdachte 3] (uit bewijsmiddel 17 volgt dat bedoeld is; [medeverdachte 3]) steeds sprak over "zijn oom" als hij het over [betrokkene 1] had.
Uit de inhoud van deze bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, heeft het hof kunen afleiden dat "[betrokkene 1]" dezelfde persoon is als de oom van [medeverdachte 3]; [verdachte].
7.4. Blijkens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, voorts vastgesteld dat:
- [betrokkene 1] aan het hoofd heeft gestaan van de organisatie die zich bezig heeft gehouden met een grootschalige smokkel van sigaretten van Rotterdam naar Italië (bewijsmiddelen 1, 2, 3, 5 en 12);
- [betrokkene 5] [betrokkene 1] een keer op zijn kantoor te Rotterdam heeft ontmoet (bewijsmiddelen 1 en 5);
- er nog een ontmoeting is geweest tussen enkele van de hiervoor vermelde betrokkenen in het Hilton hotel te Rotterdam, waarbij [betrokkene 1] aanwezig is geweest (bewijsmiddel 14);
- er een bespreking in Schiphol is geweest waarbij onder meer aanwezig waren [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] (verzoeker 's medeverdachten; A.M.) en [betrokkene 1] (bewijsmiddel 16);
- er met [betrokkene 1] voor het vervalsen van de documenten waarmee de sigaretten naar Italië werden vervoerd financiële afspraken zijn gemaakt en uitbetalingen zijn gedaan voor het transport vanuit Rotterdam (bewijsmiddelen 6, 7, 12, 14 en 15).
7.5. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verzoeker aan het hoofd heeft gestaan van de organisatie die zich bezighield met een grootschalige smokkel van sigaretten van Rotterdam naar Italië, terwijl verzoeker voorts in Nederland ontmoetingen en besprekingen over de sigarettenlijn heeft gehad met andere leden van de organisatie en zeer direct betrokken is geweest bij het handelen van diens medeverdachten in Nederland. Het hof heeft derhalve alleen al mede op grond van verzoekers betrokkenheid bij alle in Nederland door zijn medeverdachten verrichte handelingen uit de inhoud van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verzoeker in Nederland heeft deelgenomen aan de organisatie(5).
7.6. Daarnaast kan uit de hierboven vermelde bewijsmiddelen, in samenhang bezien met het onder 3.3 weergegevene, genoegzaam volgen dat er sprake is geweest van een bewuste samenwerking en directe betrokkenheid in Nederland tussen verzoeker en de andere leden van de organisatie die de documenten valselijk hebben opgemaakt. Immers, zoals hiervoor onder 3.4. is overwogen zijn de documenten in elk geval in Nederland in strijd met de waarheid opgemaakt en heeft verzoeker in Nederland besprekingen gevoerd over de sigarettenlijn. Dat daarbij ook de wijze waarop de smokkel moest plaatsvinden is besproken is vanzelfsprekend. 's Hofs bewezenverklaring terzake van medeplegen van valsheid in geschrift in Nederland is dus toereikend gemotiveerd. Hieraan doet - anders dan de steller van het middel meent - niet af de enkele omstandigheid dat verzoeker niet over de Nederlandse nationaliteit beschikt. Reeds hierom behoeft het middel geen verdere bespreking meer.
7.7. Het vijfde middel faalt dus eveneens.
8. Nu ik ambtshalve geen gronden heb aangetroffen die tot vernietiging aanleiding geven, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1 De AWDA is per 01-06-1996 vervallen. Hiervoor in de plaats Wet inzake de douane van 2-11-1995, Stb. 553 en Wet op de accijns van 31-10-1991, Stb. 561.
2 Bij inwerkingtreding van het Communautair Douane Wetboek ingetrokken.
3 Vgl. Mr TH.J.B. Buiting, T&C Strafrecht, 2e druk, p. 536 e.v.; Vgl. HR NJ 1988, 425: bij het in art. 140 Sr Pro omschreven misdrijf gaat het niet om het gepleegd zijn van misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van misdrijven.
4 Zie HR NJ 1999,326.
5 Vgl. HR NJ 1999, 785 met name r.o 4.2. en 4.3. Zie voorts de bespreking van de plaats van het misdrijf van art. 140 Sr Pro in H.D. Wolswijk, Locus delicti en rechtsmacht, 1998, p. 168. Wolsdijk bespreekt onder meer de opvatting van Strijards, dat de plaats van dit misdrijf dáár ligt waar de organisatie in staat wordt gesteld haar oogmerk te verwezenlijken.