ECLI:NL:PHR:2002:AD4927
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid werknemer voor portefeuillemanagerfunctie en beoordelingsvrijheid werkgever
Deze zaak betreft een arbeidsgeschil tussen een werknemer en zijn werkgever, Winkel Beleggingen Nederland B.V. (WBN), over de vraag of de werknemer aanspraak kan maken op een arbeidsovereenkomst als portefeuillemanager met een hoger salarisschaal. De werknemer heeft gedurende circa een jaar een proefperiode als portefeuillemanager doorlopen, waarna WBN concludeerde dat hij niet geschikt was voor de functie en weigerde hem een overeenkomst aan te bieden.
De werknemer vorderde bij de Kantonrechter dat hij als portefeuillemanager in dienst was of had moeten zijn vanaf 1 januari 1996. De rechtbank wees deze vordering af, stellende dat geen onvoorwaardelijke toezegging was gedaan en dat de werknemer niet mocht vertrouwen op benoeming op grond van functioneringsbeoordelingen. Dit oordeel werd bekrachtigd door het gerechtshof.
In cassatie stond centraal of de rechter ten laste van WBN had moeten aannemen dat de werknemer geschikt was voor de functie, of dat WBN binnen haar beoordelingsvrijheid redelijkerwijs tot het oordeel kon komen dat de werknemer niet geschikt was. De Hoge Raad bevestigde dat de werkgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het bepalen van geschiktheid, waarbij de rechter dit oordeel respecteert tenzij het onredelijk is. De eerdere positieve beoordelingen tijdens de proefperiode vormen geen onweerlegbaar bewijs van geschiktheid.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het oordeel van de werkgever over geschiktheid binnen de grenzen van het redelijke lag en dat de rechter dit terecht heeft gerespecteerd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel dat werknemer niet geschikt is voor portefeuillemanagerfunctie wordt bevestigd.