ECLI:NL:PHR:2002:AD4932
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot hoger beroep bij machtigingsverzoeken onderbewindstelling en rol belanghebbenden
De zaak betreft een geschil over de bevoegdheid tot hoger beroep bij machtigingsverzoeken in het kader van onderbewindstelling van een meerderjarige. Verzoekster is onder bewind gesteld en er ontstond onenigheid tussen haar zoons over het beheer van haar vermogen. Verweerder stelde dat bedragen frauduleus waren onttrokken en vorderde vergoeding van gemaakte kosten van rechtsbijstand uit het onder bewind gestelde vermogen.
De kantonrechter besloot een vergoeding toe te kennen aan verweerder, maar verklaarde hem voor het overige niet-ontvankelijk. Verweerder ging in hoger beroep, maar de rechtbank handhaafde de niet-ontvankelijkheid. In cassatie klaagde verweerder over de ontvankelijkheid, stellende dat hij als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 2 Rv Pro. recht heeft op hoger beroep.
De Hoge Raad overwoog dat de wetgever bij art. 1:441 lid 2 BW Pro slechts een beperkte geschillenregeling tussen bewindvoerder en rechthebbende heeft beoogd, en dat anderen dan deze partijen geen rol toekomt bij machtigingsverzoeken. Hoewel art. 798 lid 2 Rv Pro. kinderen als belanghebbenden noemt, is dit niet bedoeld voor machtigingsverzoeken. Verweerder trad meer op als crediteur dan als bloedverwant met rechtstreeks belang. De Hoge Raad concludeert dat verweerder niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep en vernietigt de bestreden beschikking.
Uitkomst: Verweerder wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de machtigingsbeslissingen van de kantonrechter.