ECLI:NL:PHR:2002:AD5297
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid huiszoeking en inbeslagneming bij advocaat zonder toestemming
In deze zaak stond de rechtmatigheid van een huiszoeking en inbeslagneming van documenten bij een advocatenkantoor centraal. De verdediging stelde dat zij niet over alle stukken beschikte die de aanleiding van de huiszoeking konden verklaren, en dat dit een schending van het recht op een eerlijk proces betekende. De rechtbank verwierp dit beroep en stelde dat het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (Lamy tegen België) niet van toepassing was op de verhouding tussen verdachte en openbaar ministerie.
De rechtbank had op verzoek van de officier van justitie en met toepassing van art. 113 Sv Pro (oud) toestemming gegeven voor huiszoeking en inbeslagneming in het advocatenkantoor, inclusief brieven en geschriften die konden dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De verdediging voerde aan dat kennisneming van deze stukken zonder toestemming van de advocaat het beroepsgeheim schond, maar de rechtbank oordeelde dat brieven en geschriften die voorwerp zijn van het strafbare feit of tot het plegen daarvan hebben gediend, geen verschoningsrecht genieten.
De Hoge Raad bevestigde dat huiszoeking en inbeslagneming bij een advocaat zonder diens toestemming rechtmatig kan plaatsvinden indien de documenten verband houden met het strafbare feit of indien zeer uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn. De stelling dat de Deken van de Orde van Advocaten een doorslaggevende rol speelt bij toestemming werd verworpen. De middelen van cassatie werden verworpen en het beroep afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de huiszoeking en inbeslagneming bij de advocaat zonder diens toestemming worden als rechtmatig bevestigd.