ECLI:NL:PHR:2002:AD5360
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt schijnpacht en onrechtmatige daad in nalatenschapsverdeling boerenhofstede
Deze zaak betreft een langdurige erfeniskwestie rondom de nalatenschap van een overleden erflaatster, waarbij vijftien kinderen als erfgenamen zijn aangewezen. Centraal staat de vraag of een pachtovereenkomst tussen erflaatster en enkele kinderen, waaronder eiser, reëel was of slechts een schijnhandeling. De rechtbank en het hof hebben vastgesteld dat de pachtovereenkomst een schijnhandeling was, omdat er geen bewijs was van daadwerkelijke pachtbetalingen of gezamenlijke bedrijfsvoering in de jaren voorafgaand aan het overlijden.
Het hof bepaalde dat eiser het waardeverschil tussen de grond in verpachte en onverpachte staat aan de boedel moest inbrengen, met peildatum 27 april 1989. Eiser werd verweten onrechtmatig te hebben gehandeld door mee te werken aan de openbare verkoop van het huis en de grond als verpacht, terwijl hij wist dat de pachtovereenkomst niet bestond. Diverse middelen van eiser in cassatie werden besproken, waaronder bewijswaardering, toepassing van art. 213 Rv Pro, en de peildatum voor waardebepaling.
De Hoge Raad verwierp de meeste klachten van eiser, bevestigde de schijnpacht en de onrechtmatige daad, en vernietigde alleen het uitvoerbaar verklaren bij voorraad van de declaratoire uitspraak. De zaak illustreert de toepassing van bewijsrecht, de grenzen van schijnpacht, en de gevolgen voor de verdeling van nalatenschappen in familierechtelijke contexten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de pachtovereenkomst een schijnhandeling was en wijst het beroep van eiser af, behalve het uitvoerbaar verklaren bij voorraad.