ECLI:NL:PHR:2002:AD5368
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepasselijkheid en bewijsvoering ontnemingsmaatregel op grond van artikel 36e lid 3 Wetboek van Strafrecht
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin verzoeker werd veroordeeld tot betaling van een geldbedrag aan de Staat op grond van artikel 36e, derde lid, Wetboek van Strafrecht (Sr). Verzoeker was veroordeeld voor het aanwezig hebben en vervoeren van circa 8,3 kilogram cocaïne, waarbij tevens een grote som contant geld in beslag werd genomen.
Het centrale geschilpunt betrof de uitleg van artikel 36e lid 3 Sr, met name of voor toepassing van deze ontnemingsmaatregel vereist is dat het wederrechtelijk voordeel is verkregen uit het feit waarvoor de veroordeelde is veroordeeld (het grondfeit). De Hoge Raad overweegt uitgebreid de wetsgeschiedenis en parlementaire behandeling en concludeert dat deze voorwaarde niet aan het lid verbonden is. Het woord "ook" in de tekst heeft slechts een stilistische betekenis en sluit niet uit dat het wederrechtelijk voordeel uit andere strafbare feiten kan zijn verkregen.
Daarnaast zijn er diverse klachten over de bewijsvoering door het hof, waaronder de toerekening van het geld aan verzoeker en de motivering van het oordeel dat het geld uit drugshandel afkomstig is. De Hoge Raad verwerpt deze klachten en oordeelt dat het hof voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verzoeker het geld uit illegale activiteiten heeft verkregen, mede gelet op de verklaringen en omstandigheden rondom de aanhouding. Kleine inconsistenties in adresgegevens leiden niet tot vernietiging.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen en de bestreden uitspraak in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel op grond van artikel 36e lid 3 Sr blijft in stand.