ECLI:NL:PHR:2002:AD5378
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over oproeping en cautie bij hoger beroep in strafzaak drugsrunnen
Verdachte werd door de arrondissementsrechtbank Rotterdam veroordeeld tot twee weken hechtenis wegens overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening van Rotterdam (drugsrunnen). In hoger beroep werden twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel betrof de vraag of de oproeping voor de zitting in hoger beroep rechtsgeldig was, ondanks dat het adres in de appèlakte afweek van het GBA-adres en dat de oproeping niet verwees naar de tenlastelegging.
De Hoge Raad oordeelde dat het vermelden van een ander adres in de appèlakte niet automatisch betekent dat oproeping op dat adres vereist is, zeker wanneer het GBA-adres na het instellen van hoger beroep is gewijzigd. Verder is het niet vereist dat de oproeping in hoger beroep een volledige tenlastelegging bevat, zolang er een verwijzing is naar de oorspronkelijke dagvaarding. In deze zaak was het parketnummer vermeld, waardoor verdachte niet in zijn verdediging werd geschaad.
Het tweede middel betrof het gebruik van een verklaring van verdachte zonder dat hem voorafgaand aan het verhoor de cautie was gegeven. De Hoge Raad benadrukte dat eerst moet worden vastgesteld of er sprake was van een verhoor in de zin van art. 29 Sv Pro. Zonder een feitelijk oordeel hierover kan de cassatierechter niet toetsen of de cautieplicht is geschonden. Omdat in deze zaak de feitenrechter impliciet oordeelde dat geen sprake was van een verhoor, hoefde de Hoge Raad hier niet verder op in te gaan.
Beide middelen werden als te laat (tardief) voorgesteld en verworpen. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het bestreden vonnis. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte werd verworpen en de veroordeling tot twee weken hechtenis bleef in stand.