ECLI:NL:PHR:2002:AD5568

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03688/00
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SrArt. 453 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing wegens onjuiste strafoplegging bij openbare dronkenschap

Verzoeker werd door de Arrondissementsrechtbank Almelo veroordeeld voor diverse strafbare feiten, waaronder het zich in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevinden. Voor dit feit legde de rechtbank een hechtenisstraf van één week op. Verzoeker ging in hoger beroep, waarna het Gerechtshof Arnhem oordeelde dat verzoeker cassatie wilde instellen tegen dit feit en zond de stukken door aan de Hoge Raad.

De Hoge Raad constateerde dat ten tijde van het begaan van het feit (3 juli 1999) voor openbare dronkenschap alleen een geldboete was voorzien in art. 435 Sr Pro (oud), en geen hechtenis. Daarom kon de opgelegde hechtenisstraf niet op de toepasselijke strafbepaling worden gebaseerd.

Omdat er geen middelen van cassatie waren voorgesteld, wees de Procureur-Generaal ambtshalve op het gebrek. De Hoge Raad oordeelde dat zonder nader feitelijk onderzoek niet kan worden bepaald welke geldboete passend is, mede gelet op de reeds opgelegde straffen voor andere feiten.

De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis voor zover het de strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het Hof Arnhem voor nieuwe beoordeling en afdoening van de strafoplegging. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de opgelegde hechtenisstraf voor openbare dronkenschap en verwijst de zaak terug voor nieuwe strafoplegging.

Conclusie

Nr. 03688/00
Mr Wortel
Zitting: 6 november 2001
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door de Arrondissementsrechtbank te Almelo bij vonnis van 22 februari 2000, op tegenspraak gewezen, wegens diverse strafbare feiten veroordeeld, onder meer wegens 'zich in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevinden', voor welk feit de Rechtbank verzoeker één week hechtenis heeft opgelegd.
Tegen het vonnis heeft verzoeker onbeperkt hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 27 oktober 2000 heeft het Gerechtshof te Arnhem verstaan dat verzoeker ter zake van bovengenoemd feit, dat een overtreding oplevert, het voor hem openstaande rechtsmiddel van cassatie heeft willen aanwenden, en bepaald dat de stukken aan de Hoge Raad toegezonden dienden te worden.
2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld. Ambtshalve wijs ik op het volgende.
3. Het bewezenverklaarde feit (als feit 2 tenlastegelegd bij de onder parketnummer 08/015401-99 uitgebrachte inleidende dagvaarding) is begaan op 3 juli 1999.
Ten tijde van het begaan van deze overtreding was daarop in art. 435 Sr Pro alleen geldboete gesteld. De opgelegde hechtenisstraf vindt derhalve niet haar grond in de toepasselijke strafbepaling zoals die ten tijde van het begaan van het feit luidde.
4. Het komt mij voor dat het zonder nader onderzoek van feitelijke aard, waarvoor het geding in cassatie zich niet leent, niet mogelijk is om te bepalen of ter zake van de bewezen verklaarde overtreding een geldstraf opgelegd dient te worden, overeenkomstig art. 435 (OUD) Sr, en welk bedrag die geldstraf dient te belopen, op de voet van art. 63 Sr Pro mede in aanmerking genomen de straf en de maatregel die het Hof ter zake van de overige, aan verzoeker tenlastegelegde, feiten inmiddels heeft opgelegd.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, tot verwijzing van de zaak ter verdere afdoening naar het Hof te Arnhem teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,