ECLI:NL:PHR:2002:AD5774
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beëindiging huurovereenkomst na voorwaardelijke instemming met overname bedrijfsruimte
In deze civiele zaak vorderde eiser betaling van achterstallige huur en schadevergoeding wegens vernielingen in een gehuurde bedrijfsruimte. Verweerder stelde dat de huurovereenkomst per 1 september 1994 was geëindigd door een overname van de huurovereenkomst door een derde, betrokkene A, onder de opschortende voorwaarde dat deze een vergunning van de gemeente zou verkrijgen. Eiser betwistte dit en stelde dat hij slechts met onderhuur had ingestemd en dat de vergunning niet was verleend.
De Kantonrechter stelde in tussenvonnissen vast dat sprake was van een voorwaardelijke instemming met overname onder de genoemde vergunningvoorwaarde en gelastte bewijslevering omtrent het gebruik van het pand door betrokkene A. Uiteindelijk oordeelde de Kantonrechter dat eiser niet geslaagd was in het bewijs van schade en veroordeelde verweerder tot betaling van achterstallige huur.
In hoger beroep vernietigde de Rechtbank het oordeel van de Kantonrechter over de beëindiging van de huurovereenkomst en oordeelde dat de voorwaarde van vergunningverlening was vervuld, zodat per 1 september 1994 een ongeclausuleerde huurovername had plaatsgevonden en de huurovereenkomst met verweerder was beëindigd. De vordering tot schadevergoeding werd afgewezen omdat de schade na die datum was ontstaan.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van eiser, bevestigde het oordeel van de Rechtbank en oordeelde dat de opschortende voorwaarde was vervuld en dat de huurovereenkomst was geëindigd. Tevens werd geoordeeld dat huurovereenkomsten vormvrij zijn en dat het ontbreken van een nieuw huurcontract tussen eiser en betrokkene A niet aan de orde was. De klachten over het bewijs van schade werden eveneens verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de huurovereenkomst per 1 september 1994 is geëindigd en wijst het cassatieberoep af.