ECLI:NL:PHR:2002:AD6085
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling stuiting verjaring door schriftelijke mededelingen in kredietvordering
In deze zaak staat centraal of de verjaring van een geldvordering door ING op [verweerder] is gestuit door schriftelijke mededelingen, zoals bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW Pro. [Verweerder] had een kredietovereenkomst met de rechtsvoorgangster van ING en was in verzuim met een debetsaldo van ruim 97.000 gulden na executie van een onroerende zaak.
ING stuurde tussen 1987 en 1996 meerdere brieven waarin zij het resterende debetsaldo aanmaande en tot regeling wilde komen. Het hof oordeelde dat deze brieven geen stuitingshandeling vormden omdat ze niet voldeden aan de strikte eisen van een deurwaardersexploot of ondubbelzinnig voorbehoud van het recht op nakoming.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door te spreken van "strikte eisen" en onvoldoende rekening hield met de context en onderlinge samenhang van de brieven. Volgens de Hoge Raad kan een schriftelijke mededeling die ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoudt ook in een onderhandelingsfase worden gedaan. De brieven van ING bevatten voldoende duidelijke waarschuwingen en aanmaningen om de verjaring te stuiten.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank dat de vordering van ING toewijst. Daarmee blijft de vordering van ING tegen [verweerder] bestaan en is de verjaring gestuit door de brieven.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank dat de vordering van ING toewijst wegens stuiting van de verjaring door brieven.