ECLI:NL:PHR:2002:AD6103
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet tijdig overleggen verzoekschrift in echtscheidingszaak
De vrouw en de man waren gehuwd en de vrouw verzocht bij de rechtbank echtscheiding en nevenvoorzieningen waaronder een levensonderhoudsuitkering. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en stelde een omgangsregeling en alimentatie vast. De vrouw ging in hoger beroep tegen deze beschikkingen.
Het hof verklaarde zowel het principale als het incidentele beroep van de vrouw niet-ontvankelijk omdat zij het oorspronkelijke verzoekschrift niet tijdig vóór de mondelinge behandeling had overgelegd, zoals vereist in artikel 429o lid 2 Rv. De vrouw stelde in cassatie dat dit onterecht was omdat het verzoekschrift wel tijdig was overgelegd, maar door een misverstand niet tijdig bij het hof was gedeponeerd.
De Hoge Raad overweegt dat het voorschrift in art. 429o lid 2 Rv. primair gericht is op de rechter om zich adequaat voor te bereiden en niet op belangen van de wederpartij. Er is geen sanctie in de wet verbonden aan het niet tijdig overleggen en het Reglement gerechtshoven voorziet in minder verstrekkende sancties. Gezien de aard van het verzoekschrift en het feit dat de wederpartij de stukken al kende, dient herstel voor het verzuim te worden gegeven.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling. De vrouw wordt dus niet definitief niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen wegens onjuiste toepassing van art. 429o lid 2 Rv.