ECLI:NL:PHR:2002:AD6213

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02532/00
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM bij vervolging coffeeshop zonder gedoogstatus

De zaak betreft een verdachte die werd vervolgd wegens het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet, door softdrugs te verkopen vanuit een coffeeshop in Veendam. De verdachte exploiteerde de coffeeshop vanaf 13 november 1997, terwijl het gemeentelijke beleid eiste dat een horecaondernemer reeds voor 1 januari 1996 softdrugs verkocht moest hebben om gedoogstatus te verkrijgen.

Het Gerechtshof verklaarde het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging, omdat de coffeeshop van verdachte niet onder het gedoogbeleid van de gemeente viel. De verdediging voerde aan dat het hof onterecht het gemeentelijke beleid had betrokken en dat het beleid innerlijk tegenstrijdig was, waardoor het OM niet ontvankelijk had moeten worden verklaard.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en stelde dat de strafrechter geen diepgaand onderzoek hoeft te doen naar de innerlijke consistentie van het gemeentelijk gedoogbeleid. Het feit dat de coffeeshop niet werd gedoogd op grond van lokaal beleid maakt het vervolgen van verdachte geoorloofd. Het middel van cassatie werd verworpen en het vonnis van het hof bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de veroordeling van verdachte voor het verkopen van softdrugs zonder gedoogstatus.

Conclusie

Nr. 02532/00
Mr Wortel
Zitting: 20 november 2001
(bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het Gerechtshof te Leeuwarden wegens "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte voor de duur van 60 uren (in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand) alsmede tot een geldboete van ƒ 5000,=, subsidiair 50 dagen hechtenis. Voorts zijn inbeslaggenomen goederen onttrokken aan het verkeer verklaard.
2. Namens verzoeker heeft mr. R.J. Skála, advocaat te Haren, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel luidt dat het recht is geschonden, dan wel tot nietigheid voerende vormverzuimen zijn opgetreden, "doordat het Gerechtshof ten onrechte de advocaat-generaal niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien het Gerechtshof het beleid van de gemeente Veendam onjuist in haar overwegingen betrekt."
De steller van het middel heeft niet alleen de - zelfs grammaticale - onzijdigheid van het Hof miskend, maar is bovendien in de valkuil der dubbele ontkenningen gevallen. De klacht laat zich aldus verstaan dat de bestreden uitspraak niet naar behoren met redenen is omkleed omdat een op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie gericht verweer op ontoereikende gronden is verworpen.
4. In het bestreden arrest is overwogen:
"De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, omdat de coffee-shop die verdachte exploiteert voldoet aan de AHOJ-G-criteria, waarbij de raadsman kennelijk doelt op de richtlijn inzake coffeeshops.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Blijkens de stukken heeft de Raad van de gemeente Veendam beleid vastgesteld met betrekking tot de exploitatie van een horeca-inrichting van waaruit softdrugs worden verkocht en gebruikt. Eén van de eisen om in de gemeente Veendam een coffeeshop te mogen exploiteren van waaruit softdrugs worden verkocht, is, dat de horecaondernemer reeds voor 1 januari 1996 softdrugs verkocht in het horecabedrijf dat de ondernemer thans drijft. In het onderhavige geval staat vast, dat verdachte eerst vanaf 13 november 1997 vanuit [...] te Veendam softdrugs verkoopt. Derhalve voldoet verdachte niet aan voormelde door de gemeente Veendam gestelde eis. Het stond het openbaar ministerie daarom vrij om verdachte te vervolgen terzake van het thans tenlastegelegde feit.
Het al of niet voldoen aan de AHOJ-G-criteria doet aan het bovenstaande niet af, nu de richtlijn voor opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet - waarin de AHOJ-G-criteria zijn opgenomen - slechts dán geldt wanneer een coffeeshop op grond van het lokaal geldende beleid in beginsel wordt gedoogd.
Nu het hof ook overigens niet aannemelijk is geworden dat algemene beginselen van behoorlijke procesorde zijn geschonden, verwerpt het hof het door de raadsman van verdachte aangevoerde verweer."
5. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het Hof in zijn overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid van OM had moeten betrekken hoe de Raad van de gemeente Veendam het gedoogbeleid voor coffeeshops heeft geformuleerd; dat dit beleid is gericht op het toestaan van een beperkt aantal coffeeshops (twee, bij stijging van het aantal inwoners mogelijk drie), en dat de "gedoogstatus" van een tweede coffeeshop - waarmee de steller van het middel kennelijk doelt op de door verzoeker gedreven coffeeshop waarop de bewezenverklaring betrekking heeft - aan de criteria in de toepasselijke richtlijn van het Openbaar Ministerie moet worden getoetst omdat het door de Gemeenteraad geformuleerde beleid innerlijk tegenstrijdig is.
6. 's Hofs oordeel dat het instellen van een strafvervolging slechts dan kan worden onderzocht op verenigbaarheid met de Richtlijn van het Openbaar Ministerie betreffende het opsporings- en vervolgingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet - bij welk onderzoek aan de orde kan komen of de verdachte de zogenaamde G-AHOJ criteria heeft overtreden - indien het gaat om (verkoop van soft drugs vanuit) een coffeeshop die in beginsel krachtens lokaal gevoerd beleid wordt gedoogd is juist, vgl HR DD 96.182, HR NJ 1997, 320 en HR NJ 2000, 738.
7. Het door het Hof bereikte oordeel dat de door verzoeker gedreven coffeeshop niet krachtens beleid van de gemeente Veendam werd gedoogd is van feitelijke aard en kan daarom in cassatie slechts in beperkte mate, namelijk op eventuele onbegrijpelijkheid, worden onderzocht.
8. Onbegrijpelijk is het oordeel dat die coffeeshop door de gemeente Veendam niet werd gedoogd, in het licht van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en de aan de Hoge Raad toegezonden stukken, niet. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven dat verzoeker geen vergunning kreeg, daarbij doelend op een vergunning tot exploiteren van '[...]' als tweede coffeeshop in de gemeente. Tot de aan de Hoge Raad toegezonden stukken behoort briefwisseling tussen mr Skála namens verzoeker en de burgemeester van de gemeente Veendam. In een tot coffeeshop [...], per adres van mr Skála, gericht schrijven van de burgemeester van deze gemeente, gedateerd 22 januari 1998 - het bewezen verklaarde feit is begaan op 22 april 1999 - is er nadrukkelijk op gewezen dat naar het inzicht van de gemeente niet werd voldaan aan de voorwaarden waaronder de verkoop van softdrugs vanuit coffeeshop '[...]' toegelaten zou kunnen worden.
9. Voor zover het middel berust op de gedachte dat het Hof in verband met zijn beslissing op het gevoerde verweer had moeten onderzoeken of het bestuurlijke niet-gedogen van de door verzoeker uitgebate coffeeshop in alle opzichten in overeenstemming was met het door de gemeente geformuleerde beleid, en ook had moeten onderzoeken of het gemeentelijk beleid innerlijke tegenstrijdigheid vertoonde of afweek van de daaraan ten grondslag liggende doelstellingen, kan het daarin niet worden gevolgd.
Van de strafrechter kan een zo min of meer diepgaand onderzoek naar de innerlijke consistentie van bestuurlijk beleid betreffende het niet-gedogen van coffeeshops in verband met de verspreiding van soft drugs niet worden verlangd.
10. Het middel faalt.
11. Redenen voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,