ECLI:NL:PHR:2002:AD6248
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en verwijzing wegens onvoldoende motivering geldboete en kwalificatie Opiumwetzaak
Het gerechtshof Arnhem had verdachte veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder Pro B van de Opiumwet, met een straf van drie maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, 240 uur onbetaalde arbeid en een geldboete van fl. 25.000,-- subsidiar 120 dagen hechtenis.
De verdachte voerde in hoger beroep aan dat de opgelegde geldboete niet in verhouding stond tot zijn draagkracht, waarbij hij zijn maandelijkse inkomsten en schuldsanering toelichtte. Het hof motiveerde de hoogte van de boete slechts summier met de opmerking dat rekening was gehouden met de draagkracht van verdachte.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom ondanks het draagkrachtverweer toch deze boete werd opgelegd en dat het hof had moeten ingaan op de vermogenspositie van verdachte. Tevens stelde de Hoge Raad vast dat het hof het bewezenverklaarde niet correct had gekwalificeerd door niet ook art. 55 Sr Pro te betrekken bij de eendaadse samenloop van het opzettelijk handelen en aanwezig hebben van de verboden stof.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het de strafoplegging betreft en verwees de zaak naar het hof 's-Hertogenbosch voor hernieuwde berechting en verbetering van de kwalificatie. Voor het overige werd het beroep verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest voor de strafoplegging wegens onvoldoende motivering en onvolledige kwalificatie, en verwijst de zaak voor hernieuwde berechting.