ECLI:NL:PHR:2002:AD6867
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging hofuitspraak inzake naheffingsaanslag parkeerbelasting en kostenraming
Belanghebbende, houder van een personenauto, kreeg een naheffingsaanslag opgelegd voor niet betaalde parkeerbelasting plus kosten van ƒ 65,-. Zij maakte bezwaar tegen de kosten wegens vermeende wanverhouding en het ontbreken van een juiste kostenraming door de gemeente. Het hof vernietigde de naheffingsaanslag en oordeelde dat de gemeente niet had voldaan aan de wettelijke vereisten voor de vaststelling van de kostenraming.
De Hoge Raad stelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had over de verplichting van de gemeenteraad om jaarlijks een nieuwe kostenraming vast te stellen. Volgens de Hoge Raad hoeft de raad niet elk jaar een nieuw besluit te nemen als de kosten gelijk blijven of zelfs stijgen, alleen bij een daling is een nieuwe vaststelling vereist.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling, waarbij de drie door belanghebbende aangevoerde stellingen over wanverhouding, kostenraming en toegestane kostensoorten aan de orde moeten komen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling.