ECLI:NL:PHR:2002:AD6991

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02038/99
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 139 WvMSrArt. 9, tweede lid Sr (oud)Art. 9, tweede lid Sr (nieuw)Art. 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste toepassing van wetsartikel bij dienstweigering

Verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem, Militaire Kamer, veroordeeld wegens overtreding van art. 139 Wetboek Pro van Militair Strafrecht (WvMSr) tot onbetaalde arbeid en een geldboete, subsidiair hechtenis. Tegen deze uitspraak stelde verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

Door een administratieve vergissing concludeerde de Procureur-Generaal aanvankelijk tot verwerping van het beroep, maar na correctie werd vastgesteld dat de strafoplegging onjuist was omdat het hof een wetsartikel toepaste dat pas op 27 januari 1995 in werking trad, terwijl het feit eerder was gepleegd.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de wetswijziging geen wijziging in strafwaardigheid inhoudt, zodat het oude artikel toegepast had moeten worden. Daarom wordt de strafoplegging vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting, met behoud van het overige vonnis.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onjuiste wetsapplicatie.

Conclusie

Nr. 02038/99/M
Mr Fokkens
Zitting: 27 november 2001
Aanvullende conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door de Militaire Kamer van het Gerechtshof te Arnhem wegens dienstweigering veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 180 uren alsmede een geldboete van f 25.000,-- subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis.
2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen.
3. Ten gevolge van een misverstand van administratieve aard heb ik op 25 september 2001 geconcludeerd tot verwerping van het beroep, terwijl ik in deze zaak gronden zie waarop ambtshalve gecasseerd dient te worden. De raadsman van verdachte heeft mij tijdig op deze vergissing geattendeerd.
4. De problematiek is dezelfde als die in de zaak die leidde tot de uitspraak van de Hoge Raad van18 september 2001, griffienummer 02004/99/M.
5. Het Hof heeft verdachte voor het op 8 augustus 1994 overtreden van art. 139 van Pro het Wetboek van Militair Strafrecht (WvMSr) veroordeeld tot twee hoofdstraffen. Die combinatie van hoofdstraffen is op grond van het huidige art. 9, tweede lid, Sr mogelijk sedert 27 januari 1995, de dag waarop de Wet van 21 december 1994, Stb. 1995, 32, in werking trad. Voordien was die combinatie echter op grond van art 9, tweede lid (oud), Sr niet toegestaan, behoudens in de gevallen waarin de wet dat bepaalde. Overtreding van art. 139 WvMSr Pro behoorde niet tot die gevallen.
6. In de hiervoor genoemde uitspraak heeft de Hoge Raad herhaald wat in HR NJ 1997, 442 reeds was uitgemaakt, namelijk dat aan die wijziging geen gewijzigd inzicht in de strafwaardigheid ten grondslag ligt, zodat van een verandering van wetgeving als bedoeld in art. 1, tweede lid, Sr, geen sprake is.
7. Nu het feit in de onderhavige zaak is gepleegd vóór 27 januari 1995, had het Hof ingevolge de in art. 1, eerste lid, Sr vooropgestelde hoofdregel niet art. 9, tweede lid (nieuw), Sr moeten toepassen, maar art 9, tweede lid (oud) Sr. De bestreden uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, Militaire Kamer, teneinde de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden