ECLI:NL:PHR:2002:AD7011
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie in cassatie tegen vordering benadeelde politiefunctionarissen
In deze zaak heeft het Gerechtshof Leeuwarden een verdachte veroordeeld voor mishandeling van politieambtenaren en het handelen in strijd met de WWM, waarbij twee politiefunctionarissen als benadeelde partijen immateriële schadevergoeding vorderden wegens het gebruik van geweld tijdens hun dienst. Het hof wees deze vorderingen af wegens onvoldoende onderbouwing van de schade en stelde dat politiefunctionarissen een zwaardere stelplicht hebben vanwege hun opleiding en uitrusting.
Het openbaar ministerie stelde cassatie in tegen deze afwijzing van de schadevorderingen. De Hoge Raad onderzocht echter eerst of het OM in dit cassatieberoep ontvankelijk was, aangezien het OM geen partij is bij civiele vorderingen van benadeelde partijen in het strafproces.
De Hoge Raad bevestigde eerdere jurisprudentie dat het OM niet-ontvankelijk is in cassatieberoepen die uitsluitend gericht zijn tegen beslissingen over vorderingen van benadeelde partijen. De wet voorziet niet in een rol voor het OM om deze belangen zelfstandig te behartigen of rechtsmiddelen aan te wenden tegen dergelijke beslissingen.
Daarmee werd het cassatieberoep van het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard. Tevens kon de Hoge Raad niet inhoudelijk oordelen over de grieven van de benadeelde partijen, omdat zij niet zelfstandig cassatie kunnen instellen. Deze uitspraak benadrukt de beperkte rol van het OM bij civiele vorderingen van benadeelde partijen in strafzaken.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep tegen de afwijzing van immateriële schadevorderingen van politiefunctionarissen.