ECLI:NL:PHR:2002:AD7317

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/027HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 3 huurovereenkomstWet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurdersaansprakelijkheid voor waterschade door lekkend dak en beheerderstekortkoming

Eiseres, huurder van een winkelruimte die deze onderverhuurde, vorderde schadevergoeding wegens waterschade veroorzaakt door een lekkend dak. De verhuurder, inmiddels overleden en vervangen door verweerster, werd aansprakelijk gesteld omdat hij zijn onderhoudsverplichtingen niet zou zijn nagekomen.

De kantonrechter wees de vordering af, omdat eiseres nog geen schadevergoeding aan haar onderhuurder had betaald. In hoger beroep bevestigde de rechtbank dit oordeel na een comparitie en schikkingspogingen. De rechtbank stelde vast dat verhuurder niet aansprakelijk was voor gebreken tenzij sprake was van nalatigheid, maar dat er geen achterstallig onderhoud was en dat noodreparaties waren uitgevoerd.

Eiseres stelde dat het niet aanstellen van een beheerder tijdens vakantie van de verhuurder wanprestatie was en dat daardoor de schade was ontstaan. De rechtbank verwierp dit omdat er maatregelen waren getroffen en eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat de schade zonder beheerder niet zou zijn ontstaan.

De Hoge Raad concludeerde dat het cassatiemiddel geen belang had omdat de vaststellingen van de rechtbank niet waren bestreden en dat de proceshouding van eiseres in eerdere instanties het onmogelijk maakte om nieuwe verweren aan te voeren. Het cassatieberoep werd verworpen en eiseres werd veroordeeld in de kosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Conclusie

Nr. C 00/027 HR
Mr. M.R. Mok
Zitting 2 november 2001
(bij vervroeging)
Conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerster]
1. KORTE BESCHRIJVING VAN DE ZAAK
1.1. Eiseres van cassatie ([eiseres]) is huurder van een winkelruimte te [vestigingsplaats], die zij heeft onderverhuurd aan Cédèf b.v.
Verweerster in cassatie, [verweerster], is rechtsopvolgster van de voormalig eigenaar en verhuurder van de winkelruimte, [betrokkene A], die tijdens de onderhavige procedure is overleden.
1.2. Cédèf heeft enkele brieven aan [betrokkene A] gericht, waarin zij deze heeft laten weten dat zij, als gevolg van een lekkend dak van het pand, waterschade heeft geleden. Vervolgens heeft zij bericht dat er ondanks een noodreparatie nog steeds problemen waren.
Ten slotte heeft Cédèf aan [betrokkene A] een expertiserapport gezonden, waaruit bleek dat zij rond ƒ 45.000 schade had geleden, welk bedrag zij van [betrokkene A] terugvorderde.
1.3.1. [Eiseres] heeft [betrokkene A] gedagvaard voor de kantonrechter te Enschede. Zij heeft gesteld dat Cédèf waterschade heeft geleden en dat Cédèf haar voor die schade aansprakelijk heeft gesteld. [Eiseres] heeft die aansprakelijkheid ook erkend waardoor zij op haar beurt schade heeft geleden.
[Eiseres] achtte [betrokkene A] gehouden die schade te vergoeden, omdat deze zijn verplichtingen op grond van de huurovereenkomst niet is nagekomen, althans omdat het optreden van de lekkages in zijn risicosfeer lag.
1.3.2. [Betrokkene A] heeft betwist dat [eiseres] schade heeft geleden, aangezien deze (nog) geen schade-uitkering aan Cédèf had gedaan.
1.3.3. De kantonrechter heeft dat verweer van [betrokkene A] gehonoreerd en de vordering van [eiseres] bij vonnis van 19 februari 1998 afgewezen.
1.4.1. [Eiseres] is in appel gekomen bij de rechtbank te Almelo. Zij heeft aangevoerd dat zij de schadevergoeding inmiddels aan Cédèf had betaald(1).
Vervolgens is [betrokkene A] overleden. [verweerster] heeft [eiseres] aangezegd dat het geding was geschorst. [Eiseres] heeft [verweerster] als rechtsopvolgster van [betrokkene A] gedagvaard tot voortzetting, waarop [verweerster] een memorie van antwoord heeft genomen.
1.4.2. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 17 februari 1999 een inlichtingencomparitie gelast "in en bij" het winkelpand.
Die comparitie heeft plaatsgevonden op 20 april 1999. Tevens is op diezelfde datum en op 27 mei 1999 een schikkingscomparitie gehouden. Partijen hebben evenwel geen overeenstemming bereikt.
1.4.3. Bij eindvonnis van 22 september 1999 heeft de rechtbank, met verbetering van gronden, het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
1.5. [Eiseres] heeft tegen dit vonnis (tijdig) beroep in cassatie ingesteld.
[Verweerster] heeft zich bij conclusie van antwoord gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad, met aantekening
"dat de beslissing van de Rechtbank berust op een gedachtegang die van de kant van verweerster in cassatie in de feitelijke instanties niet is voorgedragen of verdedigd; zodat verweerster in cassatie, ongeacht de over het cassatieberoep te geven beslissing, buiten de kosten van het geding in cassatie behoort te blijven."
2. BESPREKING VAN HET CASSATIEMIDDEL
2.1. Het cassatiemiddel richt zich enkel tegen het oordeel van de rechtbank dat de stelling van [eiseres] dat [betrokkene A] heeft verzuimd een beheerder aan te stellen toen deze wegens vakantie afwezig was, niet tot toewijzing van de vordering kan leiden.
In het bijzonder bestrijdt het cassatiemiddel de overweging van de rechtbank:
"Alsdan kan de schade immers alleen zijn ontstaan door een gebrekkige (nood)reparatie. Daarvoor kan [verweerster] of haar rechtsvoorganger bezwaarlijk aansprakelijk gehouden worden."
2.2.1. De rechtbank heeft (ro. 4 van haar eindvonnis) vastgesteld dat partijen zijn overeengekomen:
"Verhuurder is niet aansprakelijk voor de gevolgen van zichtbare of onzichtbare gebreken aan het gehuurde, behalve voor zover de gebreken het gevolg zijn van nalatigheid van de verhuurder ter zake van het voor zijn rekening komend onderhoud."
Vervolgens heeft de rechtbank (in ro. 6) vastgesteld:
"Naar de rechtbank zelf heeft kunnen constateren is er geen sprake (geweest) van achterstallig onderhoud voor wat betreft de dakbedekking."
2.2.2. De twee in de vorige paragraaf genoemde vaststellingen kunnen (uitgaande van de, niet betwiste, rechtsgeldigheid van het geciteerde beding), tezamen beschouwd, slechts tot de conclusie leiden dat zich geen gebeurtenis heeft voorgedaan waarvoor de verhuurder aansprakelijk is.
[Eiseres] heeft deze vaststellingen in cassatie niet bestreden.
2.3.1. Daar komt nog het volgende bij.
De rechtbank heeft in ro. 5 van haar eindvonnis overwogen dat [eiseres] had gesteld dat [betrokkene A] wanprestatie had gepleegd doordat hij niet heeft gezorgd voor een beheerder tijdens zijn vakantie. Dientengevolge konden bij eerder opgetreden kleine lekkages geen passende maatregelen worden getroffenen is de schade ontstaan.
Er zijn echter, zoals de rechtbank in ro. 6 van haar eindvonnis heeft vastgesteld, wel maatregelen getroffen. Er zijn immers (nood)reparaties uitgevoerd. Onder die omstandigheden valt niet in te zien, aldus de rechtbank, dat de afwezigheid van een beheerder de schade heeft veroorzaakt. Met andere woorden: [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schade niet zou zijn ingetreden als er wel een beheerder was aangesteld.
2.3.2. Ook tegen dat oordeel heeft [eiseres] geen klacht gericht(2).
2.4. Zowel het onder 2.2. als het onder 2.3. gestelde brengt mee dat de klachten van het middel, ook indien zij gegrond zouden zijn, toch niet tot cassatie zouden kunnen leiden.
Het middel stuit derhalve af op gebrek aan belang, zodat het geen verder onderzoek behoeft.
3. CONCLUSIE
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van eiseres in de kosten.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
1. M.v.gr. onder 3.
2. Haar proceshouding in feitelijke aanleg maakte dat ook onmogelijk. Zo kon zij in cassatie niet aanvoeren dat de rb. er ten onrechte van uitgaat dat (nood)reparaties zijn uitgevoerd, nu zij zelf heeft gesteld dat er maatregelen zijn getroffen, waartoe op grond van het huurcontract ook de verplichting bestond (prod. 1 bij de c.v.r., art. 7, lid 3).