ECLI:NL:PHR:2002:AD7318
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vorderingen over beëindigingsovereenkomst en concurrentiebeding na dienstverband
Eiser was statutair directeur van verweerders en sloot met hen een beëindigingsovereenkomst na beëindiging van zijn dienstverband. Verweerders stelden dat eiser het concurrentiebeding had overtreden door een villawijk te ontwikkelen en dat hij namens hen onvoorwaardelijke huurverplichtingen was aangegaan zonder hun medeweten, wat hen tot schade had gebracht. Zij vorderden ontbinding van delen van de beëindigingsovereenkomst en schadevergoeding.
De rechtbank en het hof verwierpen deze vorderingen. Het hof oordeelde dat er geen sprake was van projectmatige bouw die de belangen van verweerders schaadde, dat eiser het concurrentiebeding niet had overtreden en dat er geen sprake was van dwaling of wanprestatie. Ook was niet komen vast te staan dat verweerders vóór de afgesproken datum een kapitaalverschaffer hadden gevonden die het project Maasplaza 1e fase op acceptabele voorwaarden wilde overnemen.
Eiser kwam in cassatie tegen deze uitspraken, maar de Hoge Raad verwierp zijn middelen. De motiveringen van het hof waren begrijpelijk en de bewijslast lag bij verweerders. Het hof had terecht geoordeeld dat verweerders zich voldoende hadden ingespannen om een belegger te vinden en dat eiser geen schade had geleden door het niet-aanbieden van de tweede fase van het project. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof en wees het cassatieberoep af.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser werd verworpen en het oordeel van het hof bevestigd dat hij het concurrentiebeding niet had overtreden en de beëindigingsovereenkomst niet ontbonden kon worden.