ECLI:NL:PHR:2002:AD7342
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Billijke vergoeding voor werknemer-uitvinder bij gemis aan octrooi volgens art. 10 Rijksoctrooiwet 1910
In deze zaak vordert een voormalig werknemer van TNO een billijke vergoeding voor het gemis aan octrooirechten op uitvindingen die hij tijdens zijn dienstverband heeft gedaan. De arbeidsovereenkomst was reeds ontbonden met toekenning van een ontbindingsvergoeding. De kantonrechter wees de vordering af, maar in hoger beroep werd geoordeeld dat het salaris geen vergoeding voor het gemis aan octrooi bevatte en dat de werknemer alsnog aanspraak kon maken op een billijke vergoeding.
De Hoge Raad bespreekt de toepassing van artikel 10 van Pro de Rijksoctrooiwet 1910, waarbij het exclusieve recht op octrooi toekomt aan de werkgever indien de uitvinding in het kader van het dienstverband is gedaan. De Hoge Raad benadrukt dat de honorering van de werknemer slechts één van de factoren is bij de beoordeling van de aanspraak op een extra vergoeding en dat het ontbreken van een specifieke component in het salaris niet doorslaggevend is.
De Hoge Raad concludeert dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door te veel gewicht te hechten aan het ontbreken van een specifieke salariscomponent voor gemis aan octrooi. Het vonnis wordt daarom vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beoordeling op basis van een integrale weging van alle relevante omstandigheden.
Uitkomst: Het bestreden vonnis wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beoordeling van de billijke vergoeding.