AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevoegdheid van gewone rechter versus arbitrage en toepasselijkheid van art. 157b Rv
In deze zaak vordert [verweerster] betaling van facturen van Aan de Stegge, die zich beroept op een arbitragebeding in haar algemene voorwaarden om de rechtbank onbevoegd te verklaren. De rechtbank oordeelde dat het arbitragebeding vernietigd moest worden en verklaarde zich bevoegd. Het hof verklaarde het hoger beroep van Aan de Stegge niet ontvankelijk wegens art. 157b lid 1 Rv, dat hogere voorziening tegen tussenvonnissen over bevoegdheid beperkt.
De Hoge Raad stelt dat art. 157b lid 1 Rv alleen ziet op de vraag welke gewone rechter bevoegd is, niet op de bevoegdheid van arbitrage. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis, stelsel en literatuur. Het hof heeft daarom een onjuiste rechtsopvatting gehanteerd door het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart Aan de Stegge ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor verdere behandeling. Hiermee wordt bevestigd dat geschillen over arbitragebevoegdheid niet onder art. 157b lid 1 Rv vallen en dus afzonderlijk kunnen worden aangevochten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart Aan de Stegge ontvankelijk in haar hoger beroep, waarna terugverwijzing naar het hof volgt.
Conclusie
Rolnr. C01/166HR
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 30 november 2001
Conclusie inzake:
De besloten vennootschap BOUWBEDRIJF AAN DE STEGGE ROOSENDAAL B.V.
tegen:
[Verweerster]
Feiten en procesverloop(1)
1.1 Verweerder in cassatie, [verweerster], heeft eiseres tot cassatie, Aan de Stegge, op 25 augustus 1999 gedagvaard te verschijnen ter zitting van de arrondissementsrechtbank te Breda en betaling gevorderd van een aantal facturen, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Deze facturen hebben betrekking op door [verweerster] verrichte werkzaamheden uit hoofde van een overeenkomst van onderaanneming.
1.2 Aan de Stegge heeft bij conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid gesteld dat tussen partijen een arbitrageovereenkomst is gesloten, zodat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren. Deze arbitrageovereenkomst geldt ingevolge art. 13.2 van de algemene voorwaarden die Aan de Stegge hanteert en die op de overeenkomst van onderaanneming van toepassing zijn verklaard.
1.3 [Verweerster] heeft zich er primair op beroepen dat de algemene voorwaarden van Aan de Stegge haar niet ter hand zijn gesteld dan wel op enigerlei andere wijze aan haar kenbaar zijn gemaakt. Subsidiair heeft [verweerster] gesteld dat de verwijzing naar deze algemene voorwaarden onvoldoende en ondoorzichtig is. Zij heeft in dit verband een beroep gedaan op de vernietigingsgrond als bedoeld in art. 6:234 lid 1 sub a enPro b BW.
1.4 De rechtbank heeft bij vonnis van 14 maart 2000 ten aanzien van het primaire verweer van Aan de Stegge overwogen dat op Aan de Stegge als gebruiker van de algemene voorwaarden de bewijslast rust dat zij de algemene voorwaarden aan [verweerster] ter hand heeft gesteld of dat het voor haar redelijkerwijs niet mogelijk was om deze voorwaarden ter hand te stellen (rov. 3.3). De rechtbank heeft Aan de Stegge vervolgens toegelaten tot het bewijs van een en ander. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
1.5 Na het horen van getuigen heeft de rechtbank bij vonnis van 27 juni 2000 geoordeeld dat Aan de Stegge niet in de aan haar verstrekte bewijsopdracht is geslaagd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat art. 13.2 van de algemene voorwaarden, waarin is bepaald dat eventuele geschillen die tussen partijen ontstaan door middel van arbitrage beslecht zullen worden, op grond van de artikelen 6:233 sub b en 6:234 lid 1 sub a BW dient te worden vernietigd, zodat de rechtbank bevoegd is om van de vordering van [verweerster] kennis te nemen (rov. 2.4).
De rechtbank heeft de incidentele vordering van Aan de Stegge vervolgens afgewezen.
1.6 Aan de Stegge heeft van dit (incidentele) vonnis hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. [Verweerster] heeft verweer gevoerd.
1.7 Het hof heeft bij arrest van 8 mei 2001 Aan de Stegge niet ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.
1.8 Aan de Stegge heeft tegen het arrest van het hof tijdig(2) cassatieberoep ingesteld. Tegen [verweerster] is verstek verleend. Het cassatieberoep is niet nader toegelicht.
2. Bespreking van het middel
2.1 Het middel bestaat uit twee onderdelen, waarvan onderdeel 1 een inleiding bevat.
Onderdeel 2 richt zich tegen overweging 4.4 van het hof. Daarin heeft het hof het volgende overwogen:
" Tegen een dergelijk vonnis, waarbij de bevoegdheid is aangenomen, staat te dien aanzien - ingevolge artikel 157b lid 1 Rv - weliswaar hogere voorziening open op grond dat de rechter onbevoegd is uit hoofde van het onderwerp des geschils, doch slechts tegelijk met die tegen het eindvonnis. Aan de Stegge dient derhalve in haar appel niet-ontvankelijk te worden verklaard."
2.2 Het onderdeel klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, meer in het bijzonder omtrent art. 157b (lid 1) Rv. en/of zijn taak van appelrechter.
Gezien de bewoordingen, strekking, ontstaansgeschiedenis en stelsel van de wetsbepaling, heeft het begrip "bevoegd(heid)"in art. 157b Rv. slechts betrekking op de vraag welke gewone rechter in de Nederlandse rechterlijk macht de absolute of relatieve competentie met betrekking tot het geschil heeft. De regeling in art. 157b Rv. heeft geen betrekking op vonnissen, waarin de rechter een uitspraak heeft gedaan over de vraag of in de hem voorgelegde zaak aan de gewone Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt dan wel, gelijk in casu, aan arbiters, aldus het onderdeel.
2.3 Art. 157b lid 1 Rv. is ingevoerd bij de Wet van 21 januari 1954, houdende nieuwe regelen omtrent onbevoegdverklaring en verwijzing in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enkele daarmee verband houdende wijzigingen in dat wetboek, Stb. 27. Volgens het artikel staat
"Tegen het vonnis, waarbij de bevoegdheid is aangenomen, (...) te dien aanzien alleen hogere voorziening open op grond dat de rechter onbevoegd is uit hoofde van het onderwerp des geschils, en slechts tegelijk met die tegen het eindvonnis."
2.4 De parlementaire geschiedenis tot art. 157b lid 1 Rv. benadrukt dat de regeling, gezien het materiële belang dat voor partijen verbonden is aan berechting van hun zaak door de werkelijk competente rechter, zodanig is ontworpen dat de zaak terechtkomt bij de krachtens de wet bevoegde rechter(3).
In de toelichting tot art. 157b lid 1 is niet tot uitdrukking gebracht of de term "bevoegdheid" alleen betrekking heeft op de vraag welke gewone rechter bevoegd is of dat dit tevens ziet op de vraag of de gewone rechter dan wel bijvoorbeeld arbiters bevoegd zijn.
2.5 Dit is wel het geval in de terzelfder tijd ingevoerde art. 157a en 154 Rv., waarin met zoveel woorden over de gewone rechter wordt gesproken(4). De memorie van toelichting tot art. 157a vermeldt dat in dat artikel het hoofdbeginsel is vervat waarop het wetsontwerp is gegrond, te weten dat de rechter die van oordeel is dat de zaak bij een onbevoegde rechter aanhangig is gemaakt, en dat een andere gewone rechter bevoegd is, de zaak verwijst naar de rechter die haar behoort te berechten. Onder "gewone rechter" moet dan worden verstaan "...de rechter die krachtens de Wet op de rechterlijke organisatie en het beleid der justitie bevoegd is. Verwijzing vindt niet plaats van de gewone rechter (...) naar scheidslieden." (5).
2.6 In zijn dissertatie(6) heeft Ras uiteengezet dat valt aan te nemen dat art. 157b lid 1 Rv. uitsluitend ziet op vonnissen die betrekking hebben op de vraag welke gewone rechter bevoegd is(7). Daarvoor pleit - aldus Ras - niet alleen het (theoretische) argument dat ook de artikelen 154 lid 2, 157a en 157b leden 2, 3 en 4 Rv. die zijn ingevoerd bij bovengenoemde wet, uitsluitend betrekking hebben op de vraag of een andere gewone rechter bevoegd is. Tevens pleit daarvoor het praktische argument dat de verwijzingsregeling van art. 157a Rv. op deze gevallen niet van toepassing is, zodat wanneer een hogere rechter zich bij eindvonnis alsnog onbevoegd zou verklaren al het werk in de lagere instantie(s) voor niets is gedaan.
2.7 Ook Heemskerk is blijkens zijn noot onder HR 25 november 1977, NJ 1978, 186 alsmede in zijn noot onder HR 29 juni 1979, NJ 1979, 524 van mening dat art. 157b Rv. geen betrekking heeft op vonnissen waarin de rechter een uitspraak heeft gedaan over de vraag of in de hem voorgelegde zaak aan de gewone Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt(8).
2.8 Uit de strekking van de wet kan m.i. worden afgeleid dat het begrip "bevoegd" in art. 157b lid 1 uitsluitend ziet op de vraag welke gewone rechter bevoegd is. Daarnaast is het hiervoor genoemde praktische argument van belang dat Aan de Stegge niet behoeft te wachten tot op de hoofdzaak is beslist alvorens zij hoger beroep kan instellen van het vonnis waarin rechtbank zich bevoegd heeft verklaard van de vordering van [verweerster] kennis te nemen.
Het onderdeel is terecht voorgesteld, zodat het arrest van het Hof niet in stand kan blijven.
2.9 De Hoge Raad kan de zaak in zoverre zelf afdoen dat hij Aan de Stegge ontvankelijk verklaart in haar hoger beroep van het vonnis van de rechtbank te Breda van 27 juni 2000. Overigens dient de zaak op de voet van art. 422a Rv. te worden terugverwezen naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en terugverwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden.
A-G
1 Zie het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda van 14 maart 2000 onder 3.1 t/m 3.5.
2 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 31 mei 2001.
3 MvT tot wetsvoorstel 2601, TK 1951-1952, nr. 3, blz. 2-3.
4 In de leden 2,3 en 4 van art. 157b wordt gesproken van "lagere" en "hogere"rechter, derhalve ook de gewone rechter.
5 MvT, blz. 2.
6 H.E. Ras, Het tussenvonnis in het burgerlijk procesrecht, diss. UvA 1966, nr. 89.