ECLI:NL:PHR:2002:AD7363

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/217HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 6:101 BWArt. 101a Wet ROArt. 203 lid 1 RvArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige faillissementsaanvraag en aansprakelijkheid beherend vennoot

In deze zaak heeft eiser cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin het hof het vonnis van de rechtbank Dordrecht bekrachtigde dat de vordering van eiser tot schadevergoeding wegens een onrechtmatige faillissementsaanvraag had afgewezen.

Eiser was ten tijde van het faillissementsverzoek geen beherend vennoot en stond ook niet als zodanig ingeschreven in het handelsregister, maar werd toch failliet verklaard. Het hof oordeelde dat verweerders onrechtmatig hadden gehandeld door het faillissementsverzoek in te dienen zonder juiste controle, maar dat eiser zelf in hoge mate schuld had aan de ontstane schade en daarom zijn schade zelf moest dragen.

Eiser stelde onder meer dat het arrest tegenstrijdig was en dat zijn recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro) was geschonden. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden, onder meer omdat eiser niet had gereageerd op het faillissementsverzoek en zelf schuld droeg aan het faillissement. Het beroep werd verworpen en eiser werd in de kosten veroordeeld.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de vordering tot schadevergoeding afgewezen wegens eigen schuld.

Conclusie

Nr. C 01/217 HR
Mr. M.R. Mok
Zitting 2 november 2001
(bij vervroeging)
Conclusie inzake
[Eiser]
tegen
1. [Verweerder 1]
2. [Verweerder 2] (niet verschenen)
3. [Verweerder 3]
1. KORTE BESCHRIJVING VAN DE ZAAK
1.1. De in cassatie niet verschenen verweerders ([verweerder] c.s.) hebben bij de rechtbank te Dordrecht het faillissement aangevraagd van de vennootschap onder firma [A] en van haar beherende vennoten.
In het verzoekschrift is ook eiser van cassatie ([eiser]) als beherend vennoot genoemd. [Eiser] was ten tijde van het faillissement echter geen beherend vennoot; hij stond ook niet als zodanig ingeschreven in het handelsregister.
1.2. Bij de behandeling van het faillissementsverzoek is alleen [eiser] verschenen. Hij heeft ter zitting niet gesteld dat hij geen beherend vennoot was, maar sprak in plaats daarvan van "wij" en "onze debiteuren".
1.3. De rechtbank heeft [eiser] bij vonnis van 11 maart 1998 failliet verklaard.
[Eiser] is in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Den Haag en heeft toen aangevoerd dat hij geen beherend vennoot was.
Daarop heeft het hof bij arrest van 14 april 1998 het vonnis tot faillietverklaring vernietigd en het verzoek wat betreft [eiser] alsnog afgewezen. Wel heeft het hof 25% van de kosten van de curator ten laste van [eiser] gebracht.
1.4. [Eiser] is vervolgens, wederom voor de rechtbank te Dordrecht, de (onderhavige) procedure tot verkrijging van schadevergoeding begonnen tegen [verweerder] c.s. Hij heeft gesteld dat het verzoek tot faillietverklaring onrechtmatig was en dat hij daardoor materiële en immateriële schade heeft geleden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 14 juni 2000 de vordering afgewezen, omdat het "aan [eiser] toe te rekenen [is] dat ook hij in staat van faillissement is verklaard. Van een aan [verweerder] c.s. toe te rekenen onrechtmatige daad is geen sprake." (ro. 12).
1.5. [Eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Den Haag.
Het hof heeft bij arrest van 27 maart 2001 het vonnis van de rechtbank - met verbetering van de gronden - bekrachtigd.
1.6. Tegen dit arrest heeft [eiser] (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] c.s. zijn in cassatie niet verschenen.
2. BESPREKING VAN HET MIDDEL
2.1.1. [Eiser] klaagt allereerst dat art. 6 EVRM Pro is geschonden omdat hem bij de behandeling van het faillissementsverzoek niet is gevraagd in welke hoedanigheid hij is verschenen.
2.1.2. Deze klacht heeft betrekking op een vermeend, niet aan verweerders toe te rekenen, vormverzuim in een andere procedure, nl. de faillissementsprocedure. [eiser] had daartegen kunnen opkomen in het destijds door hem ingestelde hoger beroep tegen de faillietverklaring(1).
Deze klacht kan daarom niet tot cassatie leiden.
2.2.1. De overige klachten hebben betrekking op de argumenten die het hof tot zijn oordeel hebben gebracht dat, hoewel [verweerder] c.s. onrechtmatig hebben gehandeld (ro. 6), [eiser] de schade aan zichzelf te wijten heeft en zijn schade billijkheidshalve zelf moet dragen (ro. 7).
[Eiser] betoogt onder meer dat sprake is van een tegenstrijdig arrest, zodat art. 6 EVRM Pro (fair trial) zou zijn geschonden.
2.2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake was van een onrechtmatige daad. [Eiser] droeg, door zijn gedrag ter terechtzitting, zelf schuld aan het gebeurde (ro. 12).
Het hof heeft [eisers] grief tegen afwezigheid van een onrechtmatige daad gehonoreerd, omdat [verweerder] c.s., alvorens het faillissement aan te vragen, het handelsregister hadden moeten consulteren. Het heeft het eigenschuldverweer van [verweerder] c.s. echter gegrond geacht en daarom het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
2.2.3. Dat uit het briefpapier nergens blijkt dat [eiser] vennoot was, doet niet af aan de in de vorige paragraaf weergegeven redenering van het hof.
Overigens hebben [verweerder] c.s. juist betoogd(2) dat de naam van [eiser] wèl voorkomt in het hoofd van het briefpapier van de v.o.f.(3)
2.2.3. Wanneer degene tegen wie een onrechtmatige daad is begaan, zoals het hof heeft overwogen, "in hoge mate zelf schuld heeft" aan de ontstane schade, komt hem slechts een geringe of geen aanspraak op schadevergoeding toe (art. 6:101 BW Pro).
Het hof heeft deze regel toegepast. Zijn arrest is niet tegenstrijdig.
2.3. De klacht dat het hof stellingen van [eiser] zonder meer en zonder nadere motivering heeft gepasseerd, voldoet niet aan de eisen die op grond van art. 407, lid 2, Rv, aan een cassatiemiddel moeten worden gesteld. Het middel verduidelijkt immers niet op welke stellingen het 't oog heeft.
Overigens is het oordeel van het hof zozeer verweven met de feiten en omstandigheden van het geval dat het in cassatie niet kan worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk, wat het middel trouwens ook niet aanvoert.
3. CONCLUSIE
Ik concludeer tot verwerping van het beroep, waarbij toepassing van art. 101a van de Wet RO in aanmerking komt, met veroordeling van eiser in de kosten.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
1. Overigens gaat de klacht uit van een onjuiste rechtsopvatting. In de faillissementsprocedure, geldt ten aanzien van de schuldenaar ­ die geen getuige is ­ geen met art. 203, lid 1, Rv te vergelijken bepaling.
2. M.v.a., § 3.7., p. 5.
3. Zie prod. 6 en 7 bij c.v.a. in prima.