ECLI:NL:PHR:2002:AD7364

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/274HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 337 RvArt. 339 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen tussenvonnis zonder eindvonnis

In deze zaak richt het cassatieberoep zich tegen het arrest van het gerechtshof te 's Hertogenbosch waarin eiser in hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard tegen een tussenvonnis van de rechtbank te Breda. Dit tussenvonnis had een getuigenverhoor ingeleid en was interlocutoir van aard. Volgens artikel 337 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan tegen een dergelijk tussenvonnis hoger beroep worden ingesteld, tenzij de rechter dit tussentijds hoger beroep heeft uitgesloten.

De rechtbank had in het dictum van het tussenvonnis geen deel van de vordering als eindvonnis aangemerkt, waardoor het verbod op tussentijds hoger beroep niet doorbroken kon worden. De Hoge Raad bevestigt dat de rechtsoverwegingen met eindbeslissingen niet voldoende zijn om het tussenvonnis als eindvonnis te kwalificeren. De beslissing tot uitsluiting van hoger beroep is preparatoir, zodat hoger beroep slechts tegelijk met het eindvonnis kan worden ingesteld.

Het hof heeft daarom terecht eiser niet-ontvankelijk verklaard. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep met veroordeling van eiser in de kosten.

Uitkomst: Eiser is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis.

Conclusie

Nr. C 01/274
Mr. M.R. Mok
Zitting 30 november 2001
Conclusie inzake
[Eiser]
tegen
[Verweerder] (niet verschenen)
1. Het onderhavige cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof te 's Hertogenbosch van 17 april 2001 waarin eiser van cassatie niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank te Breda van 20 april 1999.
Eiser van cassatie is tijdig van deze uitspraak in cassatie gekomen(1).
2. Het genoemde tussenvonnis van de rechtbank te Breda heeft een getuigenverhoor ingeleid en is dus een interlocutoir vonnis(2).
Uit art. 337, leden 1 en 2, Rv. volgt dat tegen zo'n vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen, tenzij de rechter tussentijds hoger beroep heeft uitgesloten. In dat geval moet de partij die appel wil instellen wachten tot na het eindvonnis.
3. Het is anders als de rechter in het dictum van het tussenvonnis aan enig deel van het gevorderde een einde heeft gemaakt en dus ten dele sprake is van een eindvonnis.
Niettegenstaande de uitsluiting van hoger beroep moet dan binnen de gewone appeltermijn van art. 339, lid 1, Rv. hoger beroep worden ingesteld tegen het vonnis voor zover dat een eindvonnis is. In dat geval kan tegelijkertijd hoger beroep worden ingesteld tegen het interlocutoire gedeelte van het vonnis(3).
4. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank tussentijds hoger beroep uitgesloten. Het dictum bevat géén beslissing waardoor het vonnis ten dele zou kunnen worden aangemerkt als eindvonnis. Daarom is er geen reden het verbod te doorbreken.
Dat de rechtsoverwegingen van het vonnis eindbeslissingen bevatten, maakt zulks niet anders(4). Omdat het middel daartoe enige aanleiding geeft, merk ik op dat de beslissing tot uitsluiting van het hoger beroep preparatoir van aard is, zodat daartegen slechts tegelijk met het eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld(5).
5. Het hof heeft eiser van cassatie dan ook op juiste gronden niet-ontvankelijk verklaard in zijn appel.
6. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van eiser van cassatie in de kosten.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
1. Er was gedagvaard tegen 14 september 2001. De dagvaarding is niet tijdig ter rolle ingeschreven. Het ­ binnen 14 dagen na de gemiste rechtsdag ­ op 17 september 2001 uitgebrachte herstelexploit, waarin is gedagvaard tegen 28 september 2001, is dat wel. Daarmee is dit gebrek hersteld (vgl. o.m. HR 21 oktober 1988, NJ 1989, 241, m.nt. W.H. Heemskerk).
2. Zie Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen, (1998), nr. 88, p. 95-96 en nr. 129, p. 155-156.
3. Zie voor het laatste HR 7 december 1990, NJ 1992, 85, m.nt. H.J. Snijders en (m.b.t. beroep in cassatie) HR 13 januari 1995, NJ 1995, 482. Vgl. voor het hoger beroep van tussenvonnissen Hugenholtz/Heemskerk a.w., nr. 177, p. 206-208 en Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., aant. 1-4 op art. 337 (Wedeven/Mollema).
4. Als vorige noot (BRv , losbl. aant. 3).
5. HR 25 maart 1988, NJ 1988, 727.