ECLI:NL:PHR:2002:AD7374

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/074HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking alimentatie wegens motiveringsgebrek over inkomsten vrouw

In deze zaak verzocht de vrouw om herziening van de alimentatievaststelling nadat het hof haar verzoek had gehonoreerd en de man tot betaling van alimentatie veroordeelde. Het geschil draaide om de vraag of de vrouw onzorgvuldig had gehandeld door haar baan in Marokko voortijdig te beëindigen en of zij momenteel inkomsten had.

Het hof nam aan dat de vrouw geen inkomsten had, ondanks dat zij recentelijk tijdelijk werkzaamheden verrichtte. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit gegeven over het hoofd had gezien of onvoldoende had gemotiveerd waarom deze inkomsten buiten beschouwing waren gelaten, wat een motiveringsgebrek opleverde.

Verder was het oordeel van het hof dat de vrouw op korte termijn geen vergelijkbaar inkomen in Nederland zou kunnen verwerven, gegrond gelet op haar leeftijd, gezondheidsproblemen en beperkte vacaturemarkt. De Hoge Raad vond echter dat het hof eerst had moeten vaststellen of de vrouw inkomsten had en dat het motiveringsgebrek in dit onderdeel de vernietiging rechtvaardigde.

De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden beschikking en gaf daarmee aan dat de alimentatievaststelling opnieuw moet worden beoordeeld met inachtneming van de juiste feiten en een deugdelijke motivering.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens motiveringsgebrek omtrent de inkomsten van de vrouw.

Conclusie

Nr. R01/074HR
Mr Huydecoper
Parket, 7 december 2001
Conclusie inzake
[De man],
Verzoeker tot cassatie
tegen
[De vrouw]
Verweerster in cassatie (niet verschenen)
Feiten en procesverloop
1) In deze zaak heeft de verweerster in cassatie (de vrouw) nadere vaststelling verzocht van de door de verzoeker tot cassatie (de man) te betalen alimentatie. Partijen verschilden daarbij vooral over één voor de beoordeling van de alimentatieverplichting alleszins wezenlijk gegeven, nl. over de vraag of de vrouw ten opzichte van de man onverantwoord heeft gehandeld door het voortijdig beëindigen van een betrekking voor bepaalde tijd die zij in [...], Marokko, had aanvaard (en die haar in staat stelde om, zolang die betrekking voortduurde, voor het grootste deel in haar eigen onderhoud te voorzien).
2) Wat betreft die vraag heeft het hof, in afwijking van wat de rechtbank in eerste aanleg had beslist, het standpunt van de vrouw gehonoreerd. In het verlengde daarvan heeft het hof, met voorbijgaan aan enige tegenwerpingen van de man aangaande de behoefte van de vrouw, de alimentatie vastgesteld zoals de vrouw had verzocht. Daartegen komt de man in cassatie op(1). De vrouw voert in cassatie geen verweer.
Bespreking van het cassatiemiddel
3) Het middel stelt twee verschillende vragen aan de orde, die maar zijdelings verband met elkaar houden. De eerste vraag komt erop neer, of de bestreden beschikking als gebrekkig moet worden aangemerkt omdat daarin een relevant gegeven dat in de procedure naar voren was gekomen, over het hoofd is gezien.
4) Ik meen dat het middel hier met recht over klaagt. Van de kant van de vrouw was, zoals het middel aangeeft, in appel aangevoerd dat zij sinds kort voor de mondelinge behandeling in appel tijdelijk een aantal dagdelen werkt(2). In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is een verklaring van de vrouw van een vergelijkbare strekking opgenomen - met dien verstande dat die verklaring niet inhoudt dat de betreffende werkzaamheden "tijdelijk" zouden zijn(3).
Met deze gegevens is niet te rijmen dat, zoals het hof heeft aangenomen, de vrouw momenteel geen inkomsten zou hebben.
5) Een betrekking voor acht uur per week (dit gegeven ontleen ik aan de in het proces-verbaal weergegeven verklaring van de vrouw) of voor "een aantal dagdelen" (pleitnota in appel namens de vrouw) geeft immers, naar algemene ervaringsregels, aanspraak op een honorering die niet als verwaarloosbaar kan worden aangemerkt. Dat kan natuurlijk in bepaalde omstandigheden anders zijn; maar zonder nader onderzoek kan er niet voetstoots van worden uitgegaan dat dat inderdaad anders is.
6) Men kan bij wege van gissing wel redenen bedenken die het hof kunnen hebben doen besluiten om met het hier bedoelde gegeven geen rekening te houden - het hof kan bijvoorbeeld gedacht hebben dat de werkzaamheden waarvan de vrouw mededeling deed inderdaad van (zeer) tijdelijke aard waren, en daarom buiten beschouwing mochten worden gelaten(4). Door dit soort giswerk kan een motiveringsgebrek echter niet worden goedgemaakt(5).
Dat wordt ook niet anders door het feit dat aan de motivering van oordelen die alleen de behoefte of de draagkracht van partijen in een alimentatiegeschil betreffen, geen hoge eisen mogen worden gesteld(6). Ook een summiere motivering mag geen onbegrijpelijke vaststelling (of lacune) vertonen.
7) Het kan voorkomen dat een misslag bij de vaststelling van de gegevens die voor een alimentatiebeoordeling bepalend zijn, van zo geringe betekenis is dat daaraan voorbij mag worden gegaan(7). (Ook) dat is echter uitzonderlijk(8). Het thans te beoordelen geval is m.i. te rekenen tot de (meerderheids)categorie waarbij de misslag niet als verwaarloosbaar kan worden gekwalificeerd. Ik acht de klacht dus gegrond. Dat zo zijnde, ga ik niet nader in op een aantal bijkomende argumenten waarmee deze klacht wordt ondersteund.
8) Het tweede onderdeel van het middel, genummerd B, klaagt over het oordeel van het hof dat onaannemelijk is dat de vrouw binnen afzienbare tijd in staat zal zijn om in Nederland een vergelijkbaar inkomen (nl. vergelijkbaar met het inkomen uit haar betrekking in [...]) te verwerven. Voorzover deze klacht voortbouwt op dezelfde bezwaren als de eerste klacht (zie al. 3.7 van de toelichting) meen ik dat die gegrond is, om dezelfde redenen als gelden voor onderdeel A.
Voor het overige meen ik daarentegen dat deze klacht niet opgaat.
9) Het eerste argument van de klacht berust, als ik het goed begrijp, erop dat vast zou staan dat de vrouw (nog) geen gerichte pogingen heeft gedaan om een vergelijkbaar inkomen te verwerven. Zonderdien zou het, volgens de klacht, onbegrijpelijk zijn dat kan worden vastgesteld dat de vrouw daartoe vermoedelijk niet in staat zal zijn.
10) Ik ben dat niet met de stelster van het middel eens. Haar kan worden toegegeven dat wanneer een alimentatiegerechtigde geen pogingen in het werk heeft gesteld om zich inkomsten te verschaffen, er aanzienlijk méér ruimte voor twijfel bestaat of de betrokkene daartoe (niet) in staat zal zijn, dan wanneer er wèl pogingen - en wel: tevergeefs - zijn gedaan. Maar dat er, in het algemeen, meer ruimte voor twijfel bestaat betekent nog (lang) niet dat wat de rechter in zo'n twijfelachtige situatie beslist, daarom onbegrijpelijk is.
11) Uit de vaststellingen van het hof blijkt dat de vrouw haar eerste jeugd achter zich heeft (zij was ten tijde van de bestreden beschikking 54 jaar oud) en dat zij met gezondheidsproblemen te maken heeft gehad (er is sprake van een recente operatie i.v.m. heupklachten(9)). Verder heeft de vrouw zich erop beroepen dat voor de functie waarvoor zij vooral in aanmerking zou komen, nl. leerkracht op een internationale school, de voorkeur uitgaat naar jongere functionarissen en naar (van huis uit) Engelstalige functionarissen. Het ligt in de rede dat dat het hof plausibel is voorgekomen.
Als men verder in aanmerking neemt (wat m.i. ook zonder nader feitelijk onderzoek geoorloofd is) dat er in Nederland maar betrekkelijk weinig internationale scholen zijn, en dat het aanbod aan vacatures daar dus navenant gering zal zijn, vind ik het niet moeilijk te begrijpen hoe en waarom het hof heeft kunnen oordelen dat die weg voor de vrouw op afzienbare termijn wel niet begaanbaar zou blijken te zijn. Daarmee ontvalt zowel aan de klacht van al. 3.6 van onderdeel B, alsook aan de klacht van al. 3.7 de grondslag - wat betreft de tweede klacht, omdat het oordeel van het hof noodzakelijkerwijs impliceert dat de vrouw ook niet redelijkerwijs in staat is om het beoogde inkomen te verwerven.
12) Daarmee is dan mede gegeven, dat de klacht van al. 3.8 van middelonderdeel B ongegrond is. Het hof heeft inderdaad - zoals in deze al. met recht wordt verondersteld - geoordeeld dat niet aannemelijk is dat de vrouw (in redelijkheid - zoals gezegd vind ik dat dit in het betreffende oordeel van het hof besloten ligt) in staat geacht moet worden om zich op afzienbare termijn in Nederland een vergelijkbaar inkomen te verwerven; en tevens, dat de vrouw niet verwijtbaar ten opzichte van de man heeft gehandeld door, kort gezegd, haar dienstbetrekking in Marokko eerder te beëindigen. Waarom het van belang zou zijn dat deze beslissingen (alleen) in de hier aangegeven volgorde worden genomen en niet in de omgekeerde volgorde (zoals in de bestreden beschikking is gebeurd), ontgaat mij. Zoals ik eerder opmerkte, hadden de partijen zich in deze zaak geconcentreerd op het tweede punt, dus op de vraag of de vrouw verkeerd gehandeld had door haar baan in Marokko op te zeggen. Dan roept men wel over zich af dat de rechter dat punt ook het eerst onder ogen zal zien, ook al zou strikt genomen behandeling in een andere volgorde meer in aanmerking komen. Inhoudelijk verschil maakt dat overigens niet.
13) Voor de vraag of de vrouw met recht aanspraak maakte op (volledig(10)) levensonderhoud moest het inderdaad zo zijn dat zij zich in redelijkheid niet zelf kon onderhouden, en ook dat haar opgeven van haar baan niet als "verwijtbaar"(11) t.o.v. de man viel aan te merken. Beide heeft het hof dan ook onderzocht, met voor de vrouw positieve uitkomst. Daarbij is het inderdaad zo dat het tweede gegeven alleen dan van belang is als tevens aan de eerste voorwaarde voldaan is - maar waarom dat er dan toe noodzaakt beide gegevens (alleen) in die volgorde te onderzoeken, is mij ook bij herhaalde heroverweging niet duidelijk geworden. Dus houd ik het er maar op dat die gedachte niet juist is.
Conclusie
Ik concludeer tot vernietiging van de bestreden beschikking.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 Bij verzoekschrift van 5 juni 2001, d.i. binnen de cassatietermijn. De bestreden beschikking is van 3 april 2001, maar 3 en 4 juni 2001 waren algemeen erkende feestdagen (Pinksteren).
2 Pleitnotities mr. Verpaalen (dossnr. 12), p. 3 bovenaan.
3 Proces-verbaal van 13 maart 2001 (dossnr. 13), p. 2, tweede volle alinea.
4 Onderdeel A van het middel oppert in al. 3.4 nog een andere mogelijke - maar uit de bestreden beschikking niet blijkende - redenering die het voorbijgaan aan de door de vrouw vermelde werkzaamheden zou kunnen verklaren. Ik verheel niet dat mij het meest aannemelijk lijkt, dat het hof dit gegeven gewoon niet heeft opgemerkt.
5 Zie bijvoorbeeld al. 2.8 van de conclusie van A-G Langemeijer bij HR 12 november 1999, NJ 2000, 102.
6 Van de vele beslissingen van de HR waaruit dat blijkt noem ik HR 19 oktober 2001, JOL 2001, 548, rov. 3.4; HR 9 februari 2001, JOL 2001, 103, rov. 3.3; HR 10 december 1999, NJ 2000, 4, rov. 3.3; HR 26 juni 1998, NJ 1998, 672, rov. 3 (slot); HR 24 april 1998, NJ 1998, 603, rov. 3.5; zie ook al. 2.12 t/m 2.16 van de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 4 september 1998, NJ 1998, 827 en rov. 3.5 van die beslissing.
7 In HR 24 november 1995, NJ 1996, 260, rov. 3.2 (slot) werd dat bijvoorbeeld aangenomen m.b.t. een vergissing die per saldo f. 33,- per maand verschil opleverde, wat in verhouding tot de verdere bedragen die in die zaak aan de orde waren te verwaarlozen was.
8 HR 17 maart 2000, NJ 2000, 333 en HR 14 april 2000, NJ 2000, 359, rov. 3.2. laten voorbeelden zien van een vergissing of een ondeugdelijke motivering anderszins, met betrekking tot bedragen die slechts van bescheiden invloed op de uitkomst van de alimentatievaststelling konden zijn, maar waarbij wèl een motiveringsgebrek werd aangenomen.
9 Volgens het appelrekest, p. 5 onderaan, is de vrouw van deze operatie geheel hersteld. Dat sluit niet uit dat de ziektegeschiedenis bij het vinden van een werkkring als bezwaar wordt ervaren.
10 D.w.z. zonder dat daar met het oog op haar eigen verdiencapaciteit of met het oog op het laakbaar prijsgeven van inkomensbronnen, meer of minder op in aftrek wordt gebracht.
11 HR 24 april 1998, NJ 1998, 603, rov. 3.4, waarnaar het middel in dit verband terecht verwijst, gebruikt overigens een wat behoedzamer formulering.