ECLI:NL:PHR:2002:AD7376

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/078HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling draagkracht en alimentatieplicht na wijziging verblijf kinderen bij ouders

In deze zaak gaat het om de alimentatieverplichting na een echtscheiding waarbij de kinderen aanvankelijk bij de vrouw verbleven en de man alimentatie betaalde. Na wijziging van het verblijf van de kinderen naar de man, verzocht deze om alimentatie van de vrouw. De rechtbank honoreerde dit verzoek, maar het hof wees het grotendeels af vanwege de beperkte draagkracht van de vrouw.

De vrouw was aanvankelijk volledig arbeidsongeschikt en zorgde voor een ernstig ziek kind, wat haar verdiencapaciteit beperkte. Het hof nam deze omstandigheden mee in zijn oordeel en concludeerde dat zij niet redelijkerwijs een hogere inkomstenpositie kon verwerven. De Hoge Raad bevestigt dat bij de beoordeling van draagkracht niet alleen het werkelijke inkomen telt, maar ook wat redelijkerwijs verdiend kan worden.

Daarnaast constateert de Hoge Raad een kennelijke vergissing in het dictum van het hof waarbij de alimentatieplicht ten onrechte aan de man werd toegeschreven in plaats van aan de vrouw. Deze vergissing wordt hersteld. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen, waarmee het oordeel van het hof over de draagkracht en alimentatieverplichting blijft staan.

Uitkomst: De Hoge Raad herstelt een vergissing in de alimentatieplicht en bevestigt het hof in de beperkte draagkracht van de vrouw en haar alimentatieverplichting.

Conclusie

Nr. R01/078 HR
Mr. Huydecoper
Parket, 7 december 2001
Conclusie inzake
[De man]
Verzoeker tot cassatie
tegen
[De vrouw]
Verweerster in cassatie (niet verschenen)
Feiten en procesverloop
1) De feiten zijn vastgesteld in de rovv. 4.1, 4.2 en 4.5 van de bestreden beschikking van het Hof te 's Hertogenbosch van 11 april 2001 en in de (tussen)beschikking van de rechtbank van 17 februari 2000 onder rov. 2. Zij kunnen, voorzover in cassatie van belang, worden samengevat als volgt:
2) In het kader van de echtscheiding van partijen zijn de uit hun huwelijk geboren (minderjarige) kinderen aanvankelijk toevertrouwd aan de vrouw. Daarbij is aan de man een verplichting opgelegd om een alimentatie ten behoeve van de kinderen aan de vrouw te betalen.
Inmiddels hebben de zaken zich zo ontwikkeld dat de kinderen bij de man verblijven. De man vraagt daarom - wat op zichzelf heel begrijpelijk is - dat de vrouw aan hem een bijdrage voor het onderhoud van de oudste dochter(1) van partijen betaalt. De rechtbank heeft dat verzoek, details daargelaten, gehonoreerd. Op het appel van de vrouw heeft het hof daarentegen het verzoek van de man voor het grootste deel afgewezen. Het heeft namelijk bepaald dat voor de periode 1 september 1999 tot 1 november 2000 voor dit kind maandelijks f. 275,- moest worden betaald, maar daarna niets meer. Daarbij heeft het hof zich vooral laten leiden door de beperkte draagkracht van de vrouw, gezien haar omstandigheden.
Een aspect dat ik mij veroorloof bijkomend te noemen is, dat in de beschikking van het hof de alimentatieverplichting, kennelijk per vergissing, ten name van de man is uitgesproken, en niet ten name van de vrouw.
3) In het (tijdig ingestelde(2)) cassatieberoep wordt over de laatstgenoemde vergissing geklaagd, en daarnaast over de beschouwingen van het hof m.b.t. de draagkracht van de vrouw. Die beschouwingen zouden volgens het middel, (mede) berusten op door het hof ambtshalve in zijn oordeel betrokken feiten.
De vrouw voert in cassatie geen verweer.
Bespreking van het cassatiemiddel
4) Onderdeel 1 van het middel betoogt, in essentie, dat er geen feiten zouden zijn gesteld die ertoe strekten, of die de gevolgtrekking konden dragen, dat de vrouw een achterstand heeft m.b.t. een baan in het voortgezet onderwijs (met daaraan inherente consequenties voor haar "verdiencapaciteit"); en dat het hof dus geen ruimte had om dat gegeven in zijn oordeel te betrekken (wat het hof in rov. 4.9 sub a van de bestreden beslissing wèl heeft gedaan).
5) Bij de beoordeling van deze klacht moet ervan uit worden gegaan dat de draagkracht van een alimentatieplichtige partij niet alleen aan de hand van diens werkelijke inkomen (en de overige "werkelijke" middelen) moet worden beoordeeld, maar dat ook rekening moet worden gehouden met wat de betrokkene zich redelijkerwijs aan inkomen (of aan middelen anderszins) kan verwerven(3).
Het debat van partijen in appel, en in aansluiting daarop het onderhavige onderdeel van het cassatiemiddel, betreffen vooral de vraag of de vrouw (ofschoon de middelen waarover zij werkelijk beschikt inderdaad niet toereikend zijn) in redelijkheid in staat moet worden geacht om wèl voldoende inkomen/middelen te verwerven om de door de man verzochte alimentatie te kunnen betalen.
6) Het gaat hier dus om (sommige van de factoren die bepalend zijn voor) de draagkracht van een alimentatieplichtige partij. Van dat gegeven heeft de Hoge Raad bij herhaling geoordeeld, dat aan de motivering van daarop betrekking hebbende rechterlijke beslissingen geen zware eisen mogen worden gesteld(4).
Dat neemt niet weg dat (ook) als het gaat om dergelijke beslissingen, de rechter gehouden is art. 48 Rv Pro. (kort gezegd: het (impliciete) verbod van aanvulling van de feitelijke gronden waarop de partijen zich hebben beroepen) te respecteren; maar het betekent wel dat de mate van detaillering en diepgang die men van een motivering in deze context mag verlangen, verhoudingsgewijs beperkt is.
7) Verder moet een onderscheid worden gemaakt tussen gevallen waarin de rechter zijn oordeel baseert op gegevens die de partijen hem niet deugdelijk ter kennis hebben gebracht (maar die de rechter uit anderen hoofde meent te kennen) - wat strijdig is met de uit art. 48 Rv Pro. af te leiden regel; en gevallen waarbij de rechter gebruik maakt van gegevens die hij (bij wege van gevolgtrekking) afleidt uit de feiten die wel door de partijen zijn aangedragen. Gevolgtrekkingen zoals in het tweede geval aangegeven, mag de rechter wèl maken en bij zijn verdere beoordeling "gebruiken", ook al zijn die gevolgtrekkingen hem niet door partijen voorgehouden(5). Bij nadere beschouwing heeft dat eigenlijk iets vanzelfsprekends: daarover anders denken, zou op een "insult to the intelligence" van de rechter neerkomen. Door aan de rechter hun geschil voor te leggen, vragen partijen die rechter juist om over de door hen voorgelegde (feitelijke) materie na te denken; en om vervolgens te beslissen, overeenkomstig datgene wat naar de regels van het recht, maar ook naar de regels van gezond verstand en logica, uit de (gestelde en gebleken) feiten voortvloeit.
8) Zo duidelijk als het is dat de rechter feiten niet mag aanvullen, maar wèl zelf gevolgtrekkingen aan ten processe gebleken feiten mag verbinden, zo onduidelijk is weer, waar de grenslijn tussen deze twee categorieën zich bevindt(6). Het komt met regelmaat voor dat aan ernstige twijfel onderhevig is of een bepaalde vaststelling als (ongeoorloofde) aanvulling van, of als (geoorloofde) gevolgtrekking uit de feiten moet worden beoordeeld. De in voetnoten 5 en 6 aangehaalde beslissingen laten telkens voorbeelden van grensgevallen zien.
9) Maar alvorens onder ogen te zien, in welke categorie de in deze zaak bestreden beslissing thuis hoort, moet worden onderzocht of het inderdaad zo is - zoals het middel aanvoert - dat van de kant van de vrouw geen stelling was ingebracht die ertoe strekte dat zij "een achterstand heeft" met betrekking tot een baan in het voortgezet onderwijs.
10) (Ook) daarover is twijfel mogelijk; maar ik denk dat stellingen van deze strekking wèl in het verweer van de vrouw konden worden "ingelezen". Van haar kant zijn immers een aantal (aanstonds nader aan te geven) omstandigheden aangevoerd die ondersteunden dat het haar niet gemakkelijk zal zijn om in een baan (in het voortgezet onderwijs) te functioneren(7). In het beroepsschrift wordt daaraan de conclusie verbonden dat van de vrouw (in redelijkheid) niet mocht worden verlangd dat zij door het vinden van zo'n baan zou trachten om haar inkomenspositie te verbeteren. Zo heeft het hof de conclusie waarin dit verweer van de vrouw uitmondde ook opgevat. Dat blijkt uit de bespreking van de vraag of de vrouw "in verwijtbare zin" inkomsten had opgegeven(8).
11) De namens de vrouw aangevoerde omstandigheden waarop ik zojuist doelde, zijn - gedeeltelijk - ook terug te vinden in vaststellingen die het hof in de bestreden beschikking heeft gedaan: o.a. dat de vrouw aanvankelijk volledig arbeidsongeschikt was, en (pas) sinds 23 augustus 2000 nog maar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is; en dat de vrouw (een aantal jaren) de zorg had voor dochter [dochter 2], welke zorg aanzienlijk méér omvatte dan die voor een gemiddeld kind, omdat [dochter 2] lijdt aan een ernstige spierziekte.
Die gegevens moeten worden beoordeeld in de context van een aantal andere (en onweersproken) gegevens, zoals het in voetnoot 7 hiervóór genoemde gegeven, en het feit dat de vrouw inmiddels 51 jaar oud is(9). Dit samenstel aan factoren kán, om te beginnen, geredelijk zo worden begrepen, dat er sprake was van de situatie die het hof heeft benoemd als "een achterstand m.b.t. een baan in het voortgezet onderwijs"; en in het verlengde daarvan, als een verweer dat de vrouw niet (redelijkerwijs) op korte termijn een baan met hogere inkomsten kan vinden(10), (11).
12) In het verlengde van het zojuist gezegde m.b.t. de uitleg die het hof aan de stellingen van de vrouw kon geven, meen ik dat ook als de door het middel aangevochten beslissing van het hof niet zou berusten op een (ruime) uitleg van de stellingen van de vrouw, maar op een gevolgtrekking uit die stellingen, dat dan een geoorloofde gevolgtrekking zou zijn, en niet een verboden aanvulling van feitelijke gronden.
Het samenstel van omstandigheden dat ik hiervóór summier aangaf, biedt voor die gevolgtrekking voldoende grondslag. In het door de vrouw ingestelde appel stond (mede) centraal of de rechtbank verkeerd had beoordeeld in hoeverre van de vrouw, gezien haar omstandigheden, kon worden verwacht resp. gevergd, dat zij een betrekking in het (voortgezet) onderwijs zocht. Het ligt (erg) voor de hand dat de rechter die daarover moet oordelen, in zijn oordeel betrekt, welke bezwaren en beletselen er bij zo'n betrekking voor de persoon waar het om gaat aan de orde zijn. Dan ligt het in gelijke mate voor de hand om stellingen van de vrouw die daarvoor van belang zijn, te begrijpen als (mede) op de laatstgenoemde vraag betrokken, én om - zonodig - te trachten om op basis van de gebleken gegevens bijwege van gevolgtrekking tot een beredeneerd oordeel over die vraag te komen. Of het oordeel dat de rechter in dat verband geeft in de ene of de andere zin moet worden begrepen, maakt dan maar weinig verschil.
13) Zo bezien kan ook niet worden gesproken van een ontoelaatbare "verrassingsbeslissing". Het bestreden oordeel houdt een - niet opzienbarende - waardering in, op basis van feiten die het hof klaarblijkelijk aannemelijk heeft geoordeeld, en die het hof in het licht van het partijdebat ook als aannemelijk kon aanmerken (de belangrijkste van die feiten werden in de vorige alinea's in parafrase weergegeven).
Het gaat daarbij om een in overwegende mate feitelijke waardering, die dus verder in cassatie niet (her)beoordeeld kan worden.
14) Ik meen daarom dat onderdeel 1 van het middel geen doel treft.
15) Onderdeel 2 van het middel betreft het hiervóór in al. 2 (slot) al als vergissing gekwalificeerde feit, dat het hof in het dictum van de bestreden beschikking de opgelegde verplichtingen ten name van de man heeft vastgesteld, terwijl in de context onmiskenbaar is dat dat de vrouw had moeten zijn. In een geval als dit, waar sprake is van een kennelijke en voor gemakkelijk herstel vatbare vergissing, had de man ook het hof kunnen verzoeken om de gemaakte fout te herstellen(12). De Hoge Raad kan echter ook zelf een dergelijke kennelijke vergissing herstellen(13).
Conclusie
Deze strekt tot herstel van de bestreden beschikking, in die zin dat in het dictum in plaats van "[de man]" wordt gelezen: "[...]" (dan wel: "de vrouw"); en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze dochter, [dochter 1], woont al langere tijd bij de man. De tweede dochter, [dochter 2], is pas in de loop van de appelprocedure bij de man komen te wonen.
2 Het verzoekschrift is van 11 juni 2001, zodat het (precies) binnen de termijn van art. 426 Rv Pro is ingediend.
3 Zie bijvoorbeeld HR 23 november 2001, zaaknr. R01/019HR, rov. 3.4.2. De maatstaf die hierbij moet worden aangelegd - waarover in de onderhavige zaak geen geschil bestaat - is gepreciseerd in HR 23 januari 1998, NJ 1998, 707 m.nt. JdB, rov. 3.3 en 3.4.
4 Van de vele beslissingen waaruit dat blijkt, noem ik (uit het verhoudingsgewijs recente verleden) HR 19 oktober 2001, JOL 2001, 548, rov. 3.4; HR 9 februari 2001, JOL 2001, 103, rov. 3.3 en HR 10 december 1999, NJ 2000, 4, rov. 3.3.
5 Als recente voorbeelden noem ik: HR 15 januari 1999, NJ 1999, 574 (waar wordt verwezen naar de conclusie van (destijds) A-G Hartkamp - zie m.n. al. 13 van die conclusie); HR 17 september 1993, NJ 1993, 740, rov. 3.6; HR 17 december 1993, NJ 1994, 193, rov. 3.4. Zie ook Vriesendorp, Ambtshalve aanvullen van rechtsgronden (studiepocket), 1981, p. 40 - 41; Hugenholtz-Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 1998, nr. 93; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Asser, art. 48 Rv Pro, aant. 7 en Gerretsen, art. 176 Rv Pro., aant. 5; conclusie plv. P-G Mok van 26 oktober 2001, C00/113HR ((nog) niet gepubliceerd), onder 3.1.3-3.1.5
6 Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Asser, art. 48, aant. 7 (p. I-80 en I-81); al. 6 en 7 van de conclusie van A-G de Vries Lentsch-Kostense voor HR 20 februari 1998, NJ 1998, 444.
7 De stellingen (uit het beroepsschrift namens de vrouw) die erin uitmonden dat de instelling waarvan de vrouw een uitkering ontvangt, haar geen sollicitatieplicht heeft opgelegd, kunnen bijvoorbeeld in die zin worden begrepen.
8 Rov. 4.9 sub a), waar klaarblijkelijk aansluiting is gezocht bij de in voetnoot 3 aangehaalde beschikking van 23 januari 1998.
9 Beroepsschrift, toelichting bij grief 2.
10 De problemen waarmee (oudere) leerkrachten in het voortgezet onderwijs geconfronteerd worden hebben al enige tijd veel aandacht in de pers en in het politieke debat; deze van algemene bekendheid zijnde problemen brengen mee dat men er des te gemakkelijker toe komt, de stellingen namens de vrouw in de hier veronderstelde zin te begrijpen.
11 In deze beschouwingen ligt besloten dat ik meen dat de man de argumenten van de vrouw ook zo heeft kunnen begrijpen, en er rekening mee heeft kunnen houden dat het hof die argumenten zo zou begrijpen. Zie voor de relevantie van dit gegeven bijv. Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Korthals Altes, p. I.11 - 870c en 870d.
12 HR 29 april 1994, NJ 1994, 497, rov. 3.4; HR 15 mei 1998, NJ 1999, 672, rov. 3.1 en 3.2; HR 17 december 1999, NJ 2000, 171, rov. 3.7.
13 HR 25 september 1998, NJ 1999, 673, rov. 4; HR 7 april 2000, NJ 2000, 377, rov. 3.4; HR 21 april 2000, NJ 2001, 165, rov. 4.1.