ECLI:NL:PHR:2002:AD7378
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugverwijzingsverbod en hoor en wederhoor in verzoekschriftprocedure dwangvertegenwoordiging
In deze zaak stond de vraag centraal of het verbod van terugverwijzing ook geldt in verzoekschriftprocedures en hoe het beginsel van hoor en wederhoor daarbij moet worden toegepast. De man was in eerste aanleg veroordeeld tot betaling en toedeling van onroerend goed, waarna de vrouw een verzoek deed tot benoeming van een dwangvertegenwoordiger vanwege weigering van medewerking door de man.
De man stelde in hoger beroep dat hij niet op de hoogte was gesteld van het verzoek en daardoor niet in zijn verdediging was geschaad, wat een schending van het hoor en wederhoor-beginsel zou betekenen. Het hof bekrachtigde echter de beschikking van de rechtbank en wees het verweer van de man af omdat het verzoek slechts zag op effectuering van de toedeling en niet op de betalingsveroordeling.
De Hoge Raad bevestigde dat het verbod van terugverwijzing ook in verzoekschriftprocedures geldt en dat schending van hoor en wederhoor een grond kan zijn voor doorbreking van dit verbod, maar oordeelde dat de man geen belang had bij vernietiging en verwijzing omdat hij in hoger beroep geen bezwaar maakte tegen de toedeling zelf, maar slechts tegen de betalingsveroordeling die niet aan de orde was in deze procedure.
De conclusie van de Procureur-Generaal was daarom dat het cassatieberoep verworpen moet worden, waarmee het hofvonnis in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het hof wordt bekrachtigd.