Art. 288 lid 2 FwArt. 284 FwArt. 292 lid 4 FwArt. 3:11 BWArt. 6:2 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw bij ontstaan schulden
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van ruim 92.000 gulden, waaronder een grote schuld aan Aegon voortvloeiend uit een verkeersongeval waarbij hij zonder rijbewijs, onder invloed en met hoge snelheid door rood reed. De rechtbank veroordeelde hem tot betaling van deze schuld en wees zijn broer af.
Het verzoek tot schuldsanering werd door de rechtbank afgewezen omdat verzoeker niet te goeder trouw was bij het ontstaan van de schuld, mede doordat hij in de procedure had verklaard de auto van zijn broer te hebben geleend terwijl hij deze zonder toestemming had meegenomen met de intentie te joyriden. Het hof bekrachtigde dit oordeel en vond dat verzoeker geen positieve saneringsgezindheid toonde, mede gezien de omvang van de schuld en zijn arbeidsongeschiktheid.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat verzoeker niet te goeder trouw was en dat dit een geldige grond is om het verzoek af te wijzen. Het hof heeft ook de omstandigheden meegewogen die verzoeker aanvoerde, zoals zijn gezinssituatie en pogingen tot afbetaling, maar vond deze onvoldoende om het oordeel te wijzigen. Het oordeel van het hof is feitelijk en kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van de schuld.
Conclusie
Rek.nr. R01/116HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 14 dec. 2001
conclusie inzake
[Verzoeker]
Edelhoogachtbaar college,
1. In dit cassatiegeding gaat het om de vraag of het oordeel van het Hof dat het verzoek van thans verzoeker van cassatie, hierna: [verzoeker], om toepassing van de schuldsaneringsregeling behoort te worden afgewezen op grond van art. 288 lidPro 2, aanhef en onder b, Fw (aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest), stand kan houden.
2. De feiten waarvan in cassatie dient te worden uitgegaan liggen als volgt. Ten tijde van het indienen van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling beliep de totale schuldenlast van [verzoeker] f 92.643,42. Daaronder is begrepen een schuld aan Aegon voor een bedrag van f 72.465,56. De schuld aan Aegon vloeit voort uit het feit dat de [verzoeker] op 31 juli 1994 met de auto van zijn broer een verkeersongeval heeft veroorzaakt. Aegon heeft [verzoeker] en zijn broer in 1998 gedagvaard en gevorderd dat zij hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de bedragen die Aegon op grond van de WAM aan de benadeelden van het verkeersongeval heeft uitgekeerd. Bij vonnis d.d. 4 augustus 1999 van de Rechtbank te 's-Gravenhage is [verzoeker] veroordeeld tot betaling van bovengenoemd bedrag; de vordering tegen zijn broer werd afgewezen. De Rechtbank was van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [verzoeker] op het moment van het ongeval zonder rijbewijs, onder invloed van alcohol en met hoge snelheid door het rode licht reed. Voorts overwoog de Rechtbank dat [verzoeker] volgens zijn eigen verklaring de auto van zijn broer heeft meegenomen terwijl deze sliep, zodat volgens de Rechtbank sprake was van een vorm van joyriding.
3. Op 28 september 2000 hebben [verzoeker] en zijn echtgenote de Rechtbank te 's-Gravenhage verzocht op hen de schuldsanerings- regeling van toepassing te verklaren.
4. De Rechtbank heeft dit verzoek bij vonnis van 22 augustus 2001 afgewezen. Zij overwoog dat reeds uit de omstandigheden waaronder het ongeval is veroorzaakt blijkt dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van de vordering van Aegon niet te goeder trouw was. De Rechtbank vervolgde:
"Voorts heeft de Rechtbank in overweging genomen dat [verzoeker], hoewel hij in eerste instantie had medegedeeld dat hij de auto van zijn broer had geleend, later heeft verklaard de auto te hebben gestolen, althans meegenomen met de bedoeling er mee te gaan 'joy-riden'. Hij heeft ter zitting verklaard te hebben geweten dat door deze verklaring af te leggen, AEGON haar vordering niet zou kunnen verhalen op zijn broer, doch slechts op hem."
5. [verzoeker] is van het vonnis van de Rechtbank in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De echtgenote heeft zich klaarblijkelijk bij het vonnis van de Rechtbank neergelegd. Het Hof bekrachtigde bij arrest van 25 september 2001 het vonnis van de Rechtbank. Daartoe overwoog het Hof onder meer (r.o. 5):
"[H]et hof [is] met de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van de vordering van Aegon, welke 78 % van de totale schuldenlast uitmaakt, niet te goeder trouw is geweest. De veroordeling tot betaling van het bedrag van die vordering is van betrekkelijk recente datum. Niet is gebleken van een positieve saneringsgezindheid ten aanzien van deze vordering waarop niets is afgelost. Voorts neemt het hof in aanmerking dat ter zitting niet aannemelijk is geworden dat [verzoeker] zodanig arbeidsongeschikt is dat hij totaal geen inkomsten uit arbeid kan verwerven teneinde daarmee een afbetaling van zijn schulden dan wel een gunstiger regeling in der minne na te streven."
6. [Verzoeker] is tegen het arrest van het Hof (tijdig; zie art. 292 lid 4 FwPro) in cassatie gekomen met een uit vijf onderdelen opgebouwd middel (cassatierekest onder 7).
7. Het middel strekt ten betoge dat onbegrijpelijk is dat het Hof het verzoek van [verzoeker] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen op de grond dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest en dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting van de strekking van de afwijzingsgrond van art. 288 lidPro 2, aanhef en onder b, Fw.
8. De onderdelen 1 en 2 van het middel houden het verwijt in dat het Hof geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden (in onderdeel 1 opgesomd onder a t/m j), waaruit zou blijken dat [verzoeker] van zijn misstap heeft geleerd en zijn leven heeft gebeterd. Samengevat komen die omstandigheden erop neer dat [verzoeker] in 1999 is gehuwd en een klein kind heeft; dat deze gezinsleden van hem afhankelijk zijn; dat [verzoeker], ondanks zijn slechte inkomenspositie, sinds 1999 aanzienlijk heeft afbetaald op zijn andere schulden; en dat [verzoeker] op zoek is naar ander werk, doch door zijn arbeidsongeschiktheid een slechte arbeidsmarktpositie heeft.
9. Bij de beoordeling van deze klachten dient het volgende vooropgesteld te worden. Indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijk persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, kan hij de Rechtbank verzoeken de toepassing van de schuldsanering uit te spreken (art. 284 FwPro). De Rechtbank kan het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op diverse gronden afwijzen (art. 288 FwPro). Een van deze gronden betreft de situatie dat aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest (art. 288 lidPro 2, aanhef en onder b, Fw). Dit is een facultatieve afwijzingsgrond; de rechter kàn het verzoek op deze grond afwijzen.
10. De Hoge Raad heeft met betrekking tot deze afwijzingsgrond het volgende overwogen (HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 nt. PvS, r.o. 3.2.1, en HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178, r.o. 3.2):
"Bij deze facultatieve afwijzingsgrond waarmee mede beoogd wordt misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, gaat het blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen niet om de goede trouw bedoeld in art. 3:11 BWPro of de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in de art. 6:2 enPro 6:248 BW, maar om een gedragsmaatstaf. In deze betekenis komt de term bijvoorbeeld ook voor in art. 54 F. (Kamerstukken II 1992/1993, 22 969, nr. 3, blz. 37-38). Uit de wetsgeschiedenis blijkt tevens dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de rechter in een concreet geval met alle omstandigheden rekening kan houden. 'Daarbij spelen een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke', aldus de memorie van antwoord (Kamerstukken als voormeld nr. 6, blz. 20; zie ook reeds de memorie van toelichting, nr. 3, blz. 14)."
11. Voorts heeft de Hoge Raad in beide arresten erop gewezen dat voor de beoordeling van een verzoek tevens van belang is dat een in het verleden begane (ernstige) fout (bijv. uitkeringsfraude), niet zonder meer behoeft te leiden tot afwijzing van het verzoek. Dit geldt met name niet wanneer blijkt dat de schuldenaar inmiddels er blijk van heeft gegeven zich ten opzichte van schuldeisers naar behoren te willen en kunnen gedragen. Zo kan van belang zijn dat de schuldenaar na het begaan van die fout weer werk heeft gevonden en (aldus) blijk geeft van verantwoordelijk gedrag.
12. Uit r.o. 4 van het bestreden arrest blijkt dat het Hof onder ogen heeft gezien dat [verzoeker], ondanks zijn slechte inkomenspositie, sinds 1999 aanzienlijk heeft afbetaald op zijn andere schulden. Ook heeft het Hof, blijkens de slotzin van r.o. 5, gereageerd op de door [verzoeker] aangevoerde omstandigheid dat hij op zoek is naar ander werk, doch door zijn arbeidsongeschiktheid een slechte arbeidsmarktpositie heeft. Voor zover de onderdelen 1 en 2 willen betogen dat het Hof aan deze door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden voorbij is gegaan, missen zij derhalve feitelijke grondslag.
13. Voor zover de onderdelen willen betogen dat genoemde omstandigheden het Hof hadden moeten weerhouden van zijn oordeel dat [verzoeker] tot de schuldsaneringsregeling niet kan worden toegelaten, geldt het volgende.
14. Of de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest en of dit als een aanwijzing moet worden gezien dat de schuldenaar ook thans niet in staat moet worden geacht zich ten opzichte van schuldeisers naar behoren te willen en kunnen gedragen, berust op een waardering van de omstandigheden die wegens haar feitelijke aard in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.
15. Het Hof heeft zijn oordeel dat [verzoeker] de toegang tot de schuldsaneringsregeling moet worden geweigerd hierop gebaseerd dat [verzoeker] het bedoelde ongeval heeft veroorzaakt en dat hij vervolgens in 1998/1999 - dus kort voor de indiening van het onderhavige verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling - in de procedure die de verzekeraar tegen hem en zijn broer had aangespannen, heeft verklaard dat hij zonder toestemming van zijn broer diens auto heeft gebruikt, terwijl [verzoeker] in de onderhavige procedure erkent dat deze verklaring onjuist is. Blijkens het oordeel van de Rechtbank, dat in hoger beroep niet is bestreden en dat het Hof tot het zijne heeft gemaakt, was het oogmerk van die handelwijze dat de vordering van Aegon jegens zijn broer zou worden afgewezen en dat Aegon de vordering slechts op [verzoeker] zou kunnen verhalen.
16. In dit licht is niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft overwogen dat [verzoeker] niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan van de vordering van Aegon en dat, gezien de handelwijze van [verzoeker] in de door Aegon aangespannen procedure, niet is gebleken van een positieve saneringsgezindheid ten aanzien deze vordering. Mede gelet op de omvang van de vordering van Aegon is voorts niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat daaraan niet afdoet dat [verzoeker] ten aanzien van de overige vorderingen heeft getracht te komen tot een aanvaardbare afbetalingsregeling en ook daadwerkelijk heeft afbetaald op een aantal schulden. Dat hierover ook anders kan worden gedacht, maakt 's Hofs oordeel nog niet onbegrijpelijk.
17. Het oordeel van het Hof getuigt evenmin van een onjuiste opvatting met betrekking tot de strekking van de afwijzingsgrond van art. 288 lidPro 2, aanhef en sub b, Fw: het Hof heeft niet alleen aandacht gegeven aan de vraag of [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan Aegon te goeder trouw is geweest, maar heeft ook in zijn overwegingen betrokken of uit het gedrag van [verzoeker] nadien blijkt dat [verzoeker] inmiddels bereid en in staat is zich ten opzichte van schuldeisers naar behoren te gedragen. De onderdelen 1 en 2 lopen hierop vast.
18. Uit bovenstaande volgt dat ook de onderdelen 3 en 4 - die erover klagen dat het Hof eraan voorbij is gegaan dat na het ongeval al zeven jaren zijn verstreken, respectievelijk dat niet blijkt van een positieve saneringsgezindheid ten aanzien van de schuld aan Aegon - niet slagen. Het Hof heeft zijn oordeel niet alleen gebaseerd op de wijze waarop destijds het ongeval is ontstaan, maar ook - en kennelijk vooral - op de handelwijze van [verzoeker] in de in 1998/1999 tegen hem ter zake van de nasleep van dat ongeval gevoerde procedure.
19. Onderdeel 5 keert zich tegen 's Hofs overweging dat het niet aannemelijk is dat [verzoeker] dermate arbeidsongeschikt is dat hij geen inkomsten uit arbeid kan verrichten.
16. Het onderdeel faalt. 's Hofs oordeel is feitelijk en in het licht van hetgeen door [verzoeker] omtrent zijn arbeidsongeschiktheid ter zitting van het Hof is verklaard niet onbegrijpelijk.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.