ECLI:NL:PHR:2002:AD7800

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00325/01
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 413 SvArt. 425 SvArt. 426a SvArt. 265 SvArt. 588 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid van het hoger beroep wegens schending dagvaardingstermijn en niet verschijnen verdachte

In deze zaak is tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld, maar er zijn geen middelen van cassatie voorgesteld. De Procureur-Generaal vraagt ambtshalve aandacht voor het feit dat de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn van ten minste tien dagen is betekend. De verdachte is niet verschenen en is bij verstek veroordeeld.

De Hoge Raad stelt dat op grond van de artikelen 413, 425 en 426a Sv, en in samenhang met artikel 265 Sv Pro, de rechter het onderzoek moet schorsen en de verdachte moet oproepen indien de dagvaardingstermijn niet in acht is genomen en de verdachte niet is verschenen zonder toestemming tot verkorting van de termijn. Het nalaten hiervan leidt tot nietigheid van het onderzoek en de daarop gebaseerde uitspraak.

De rechtbank heeft dit verzuim gemaakt door het onderzoek niet te schorsen en de verdachte niet op te roepen. Daarom concludeert de Procureur-Generaal dat het arrest van het gerechtshof vernietigd moet worden en de zaak moet worden terugverwezen naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens niet-naleving van de dagvaardingstermijn en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 00325/01
Mr Fokkens
Zitting: 18 december 2001
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. In deze zaak is tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld.
2. Middelen van cassatie zijn niet voorgesteld.
3. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende.
4. De dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep op 14 september 1999 is ingevolge art. 588, derde lid onder c, Sv op 7 september 1999 betekend. De verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep niet verschenen en bij verstek veroordeeld.
5. Op grond van het bepaalde in de artikelen 413, eerste lid, 425 en 426a, eerste lid Sv moet tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting een termijn van tenminste tien dagen verlopen. Ingevolge het ten deze toepasselijke art. 265, derde lid Sv dient de rechter wanneer de dagvaardingstermijn niet in acht is genomen en de verdachte niet is verschenen en evenmin toestemming heeft gegeven tot verkorting van bedoelde termijn, het onderzoek te schorsen en de verdachte op te roepen.
6. De Rechtbank heeft ten onrechte het onderzoek niet geschorst teneinde de verdachte op te doen roepen. Dit verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de daarop gegronde uitspraak (vgl. HR DD 96.023023 en recent nog HR 19 juni 2001, nr. 02425/00).
7. Ik concludeer dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen met terugwijzing van de zaak naar de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden