ECLI:NL:PHR:2002:AD8174
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op intrekking vordering zonder toestemming wederpartij in huurgeschil
In deze zaak stond centraal of de woonstichting haar vordering tegen een huurder mocht intrekken zonder dat daarvoor toestemming van de wederpartij nodig was en zonder dat zij incidenteel hoger beroep hoefde in te stellen. De Hoge Raad bevestigde dat dit was toegestaan en dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de huurder in het ongelijk was gesteld.
De huurder had betoogd dat hij huurrechten ontleende aan derden en dat hij mede-firmant was, maar deze stellingen werden door de rechtbank als onvoldoende onderbouwd verworpen. Ook werd geoordeeld dat de huurder het gehuurde niet overeenkomstig de bestemming gebruikte en dat sprake was van verboden onderhuur.
De Hoge Raad verwierp alle middelen van cassatie en bevestigde de uitleg van de rechtbank over de toepasselijkheid van het huurreglement en de afspraken tussen partijen. De brief uit 1994, aangevoerd door de huurder, werd niet als bewijs gezien dat onderverhuur was toegestaan na 1973.
Uiteindelijk leidde dit tot verwerping van het cassatieberoep en bevestiging van het eerdere oordeel dat de huurder in het ongelijk stond.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de huurder werd in het ongelijk gesteld.