ECLI:NL:PHR:2002:AD8174

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/143HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt recht op intrekking vordering zonder toestemming wederpartij in huurgeschil

In deze zaak stond centraal of de woonstichting haar vordering tegen een huurder mocht intrekken zonder dat daarvoor toestemming van de wederpartij nodig was en zonder dat zij incidenteel hoger beroep hoefde in te stellen. De Hoge Raad bevestigde dat dit was toegestaan en dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de huurder in het ongelijk was gesteld.

De huurder had betoogd dat hij huurrechten ontleende aan derden en dat hij mede-firmant was, maar deze stellingen werden door de rechtbank als onvoldoende onderbouwd verworpen. Ook werd geoordeeld dat de huurder het gehuurde niet overeenkomstig de bestemming gebruikte en dat sprake was van verboden onderhuur.

De Hoge Raad verwierp alle middelen van cassatie en bevestigde de uitleg van de rechtbank over de toepasselijkheid van het huurreglement en de afspraken tussen partijen. De brief uit 1994, aangevoerd door de huurder, werd niet als bewijs gezien dat onderverhuur was toegestaan na 1973.

Uiteindelijk leidde dit tot verwerping van het cassatieberoep en bevestiging van het eerdere oordeel dat de huurder in het ongelijk stond.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de huurder werd in het ongelijk gesteld.

Conclusie

Rolnr. C00/143HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 21 dec. 2001
conclusie inzake
1. [Eiseres 1]
2. [Eiser 2]
tegen
Stichting Portaal Woonstichting
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep berust op vier middelen.
2. De in middel I geformuleerde klachten falen. Anders dan het middel meent, stond het de Woonstichting vrij haar vordering tegen [eiser 2] in te trekken. De Woonstichting behoefde daartoe niet incidenteel hoger beroep in te stellen. Evenmin was voor intrekking van de vordering de toestemming van de wederpartij nodig (vgl. HR 18 februari 1994, NJ 1994, 604 nt. HER). De stelling dat intrekking van de vordering er zonder meer toe moet leiden dat de Woonstichting in de proceskosten van [eiser 2] wordt veroordeeld, is onjuist. De Rechtbank heeft kennelijk geoordeeld dat [eiser 2] door zijn houding aanleiding tot de vordering heeft gegeven. Uitgaande van dit oordeel, dat een toereikende motivering vindt in r.o. 12 van het eindvonnis, heeft de Rechtbank [eiser 2] terecht aangemerkt als in het ongelijk gestelde partij (vgl. HR 23 maart 1979, NJ 1980, 126 nt. WHH). Niet onbegrijpelijk is dat de Rechtbank het betoog van [eiser 2] dat hij "zijn huurrechten en gebruiksrechten aan [betrokkene A] en [eiseres 1] ontleent" als niet onderbouwd heeft verworpen. Waar vaststaat dat de huurovereenkomst was gesloten met [betrokkene B] en [eiseres 1], kan die stelling zonder nadere toelichting niet leiden tot de conclusie dat [eiser 2] als huurder moet worden aangemerkt. Dat de Rechtbank de bij akte van 21 oktober 1999 door [eiser 2] aangevoerde stelling dat hij "dient te worden aangemerkt als mede-firmant" niet heeft beschouwd als een serieuze onderbouwing van dat betoog, is evenmin onbegrijpelijk. Er was, anders dan het middel meent, geen reden voor de Rechtbank om bedoelde stelling als onweersproken aan te nemen: het spreekt voor zich dat de Woonstichting in de door haar (eerder) genomen akten van 9 september 1999 en 7 oktober 1999 niet is ingegaan op de bewuste stelling.
3. Ook middel II is tevergeefs voorgesteld. In de klachten geformuleerd onder 2.1 t/m 2.6 wordt miskend dat de Rechtbank, indien zij de grieven tegen het oordeel van de Kantonrechter dat [eiser] c.s. het gehuurde niet overeenkomstig de bestemming gebruikten gegrond had bevonden, ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep had moeten overgaan tot behandeling van de tweede door de Woonstichting aan haar vordering ten grondslag gelegde grondslag (verboden onderhuur). Het stond de Rechtbank dan ook vrij de grieven direct te verwerpen op de grond dat sprake was van verboden onderhuur. Zie H.E. Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2e dr. bew. door A. Hammerstein, 2001, nr. 74-76. De onder 2.7 aangevoerde klacht is ongegrond. Zij verliest uit het oog dat de Woonstichting in de bedoelde passage in haar memorie van antwoord reageerde op de tweede grief van [eiser] c.s. die gericht was tegen het oordeel van de Kantonrechter met betrekking tot de eerste door de Woonstichting aan haar vordering meegegeven grondslag. Dat de Rechtbank daarin niet heeft gelezen dat de Woonstichting de tweede grondslag (verboden onderhuur) heeft prijsgegeven, is geenszins onbegrijpelijk. Uit het vorenstaande volgt dat (ook) de klacht dat de Rechtbank de grenzen van de rechtsstrijd zou hebben overschreden faalt.
4. Middel III faalt, omdat de uitleg die de Rechtbank heeft gegeven aan de afspraken die partijen hebben gemaakt ten tijde van het aangaan van de overeenkomst over de gelding van art. 6 van Pro het huurreglement niet onbegrijpelijk is en ook niet getuigt van een onjuiste opvatting met betrekking tot de maatstaf die daarbij heeft te gelden (vgl. HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 nt. CJHB). Voor zover het middel (tevens) strekt ten betoge dat de stellingen van partijen geen aanleiding boden voor de door de Rechtbank gekozen uitleg, vindt dit betoog geen steun in de gedingstukken; de door de Rechtbank gekozen uitleg was verdedigd door de Woonstichting (zie bijv. haar mem. van antwoord onder 2.5).
5. Middel IV kan evenmin doel treffen. De door het middel bedoelde brief van 14 januari 1994 is door [eiser] c.s. in hoger beroep overgelegd ter adstructie van hun vijfde grief. Met deze grief betoogden zij dat art. 6 van Pro het huurreglement in 1973 door partijen geheel buiten toepassing is verklaard. Dat de Rechtbank in de brief geen bevestiging heeft gelezen van de visie van [eiser] c.s. op de in 1973 door partijen gemaakte afspraken, is niet onbegrijpelijk: de Rechtbank heeft kennelijk aannemelijk geoordeeld de stelling van de Woonstichting (mem. van antwoord onder 3.3) dat in die brief niet meer mag worden gelezen dan dat de onderverhuur hoogstens enige tijd is gedoogd, maar niet dat partijen art. 6 van Pro het huurregelement in 1973 geheel buiten toepassing hebben verklaard. Voor zover het middel wil betogen dat (uit de bewuste brief blijkt dat) partijen ná 1973 hebben afgesproken dat onderverhuur toegestaan zou zijn, is sprake van een feitelijk novum.
Aangezien de aangevoerde klachten naar mijn mening niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, strekt de conclusie tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 101a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,