ECLI:NL:PHR:2002:AD8181
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling contractuele gebondenheid en betaling voor extra werkzaamheden buiten no cure no pay-bepaling
Eiseres sloot in 1982 een overeenkomst met betrokkene A voor werkzaamheden ten behoeve van een bouwproject. Verweerder was projectontwikkelaar en betrokkene A was door verweerder aangetrokken. De overeenkomst bevatte een no cure no pay-bepaling, waarbij honorering alleen plaatsvond als het project doorging.
Eiseres stelde dat verweerder tot de overeenkomst was toegetreden en dat de no cure no pay-fase in 1991 was beëindigd. Daarnaast vorderde zij betaling voor extra werkzaamheden, zoals het maken van maquettes, die buiten de no cure no pay-bepaling vielen. De rechtbank oordeelde dat verweerder als contractspartij kon worden aangemerkt en kende betaling toe.
Het hof stelde echter dat uit de stukken niet kon worden afgeleid dat verweerder contractspartij was en gaf eiseres een bewijsopdracht die zij niet kon voldoen. De vordering werd daarom afgewezen. In cassatie voerde eiseres aan dat het hof ten onrechte het onderzoek beperkte tot toetreding tot de oorspronkelijke overeenkomst, terwijl zij ook een rechtstreekse opdracht aan verweerder stelde voor extra werkzaamheden.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de stellingen van eiseres niet onbegrijpelijk heeft uitgelegd en dat het beroep ongegrond is. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering van eiseres wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van contractuele gebondenheid van verweerder.