ECLI:NL:PHR:2002:AD8722

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02045/01 U
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 lid 4 OpiumwetArt. 9 tweede lid UitleveringsverdragArt. 28 Uitleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid uitlevering voor medeplegen import MDMA naar Verenigde Staten

De arrondissementsrechtbank te Amsterdam verklaarde op 18 september 2001 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten toelaatbaar vanwege verdenking van medeplegen van het importeren van MDMA (ecstasy) tussen mei 1998 en mei 2000.

De feiten betreffen een samenzwering waarbij de opgeëiste persoon als bron van meer dan 70.000 ecstasypillen fungeerde die vanuit Europa naar de Verenigde Staten werden geïmporteerd. Twee getuigen verklaarden dat zij meerdere keren naar Europa reisden om pillen te kopen en naar de VS te verzenden.

De verdediging voerde aan dat de pleegplaats van het strafbare feit niet uitsluitend binnen het Amerikaanse grondgebied lag en dat de rechtsmacht van de VS daarom onvoldoende was aangetoond. De rechtbank verwierp dit verweer omdat de samenwerking gericht op het binnenbrengen van MDMA zich binnen een district van Florida afspeelde.

De Hoge Raad bevestigde dat medeplegen ook strafbaar is wanneer handelingen buiten het grondgebied van de verzoekende staat plaatsvinden, en dat de uitlevering aan de VS toelaatbaar is. Tevens corrigeerde de Hoge Raad de formulering van de rechtbank over de uitlevering aan de Verenigde Staten zonder dat dit tot vernietiging leidt.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten toelaatbaar wegens medeplegen van import van MDMA.

Conclusie

Nr. 02045/01/U
Mr Wortel
Zitting: 8 januari 2002
Conclusie inzake:
[De opgeëiste persoon=verzoeker]
1. De arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij beslissing van 18 september 2001 de uitlevering ter fine van vervolging van verzoeker toelaatbaar verklaard.
2. Namens verzoeker heeft mr. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel houdt in dat art. 9, tweede lid onder e van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika en art. 28 UW Pro zijn geschonden doordien het verweer dat de verzoekende Staat, nu het feit buiten het grondgebied van die Staat is gepleegd, heeft verzuimd de bepalingen aangaande haar rechtsmacht te overleggen op ontoereikende gronden is verworpen.
4. De feiten waarvoor de Rechtbank de uitlevering van verzoeker toelaatbaar heeft verklaard zijn omschreven als:
"On or about May, 1998 through May, 2000 in Palm Beach county, in the Southern District of Florida, the defendants, did conspire to import MDMA (ecstasy) into the United States from a place outside thereof"
5. Als toelichting op die feiten is in de bestreden uitspraak een verklaring van een assistant United States Attorney opgenomen, luidende:
"An investigation by the Drug Enforcement Administration (DEA) revealed that the subject of this extradiction request, [de opgeëiste persoon], was the source of supply for over 70,000 ecstasy pills that were imported into the United States from at least as early as May 1998, to May of 2000. Two witnesses in the United States have advised DEA agents that they traveled to Europe approximately seven times, bought ecstasy pills from [de opgeëiste persoon] and his co-conspirator [medeverdachte], and shipped these pills to the United States".
6. In de bestreden uitspraak is voorts vastgesteld dat het feit naar Nederlands recht strafbaar is als
"het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, lid 4, van de Opiumwet, meermalen gepleegd."
7. Met betrekking tot het in dit middel bedoelde verweer heeft de Rechtbank overwogen:
"De bepalingen aangaande de rechtsmacht behoeven in deze procedure niet te worden overgelegd omdat volgens de beschrijving van het feit waarvoor de uitlevering is verzocht, zoals hierboven weergegeven, de pleegplaats binnen het grondgebied van de Verenigde Staten ligt en rechtsmacht daarmee is gegeven."
8. In art. 9, tweede lid, aanhef en onder e, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1980, 111) is bepaald:
"Bij het verzoek tot uitlevering dienen te worden gevoegd:
(...)
e. de wetsbepalingen houdende toekenning van rechtsmacht ingeval het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat werd gepleegd."
9. In de toelichting op het middel wordt er op gewezen dat uit de omschrijving van het feit, zoals die in het bijzonder is te vinden in de hierboven weergegeven verklaring van de assistant United States Attorney, volgt dat de pleegplaats - anders dan de Rechtbank heeft aangenomen - niet slechts binnen het grondgebied van de Verenigde Staten, maar tevens in Nederland gelegen is geweest, met name met betrekking tot het verkopen van de XTC-pillen en het plegen van uitvoerhandelingen. Met dat laatste doelt de steller van het middel kennelijk niet op uitvoeringshandelingen, maar op handelingen die gericht zijn op het over landsgrenzen heenbrengen.
10. Voorts wordt betoogd dat naar Nederlands recht een ruim begrip van de locus delicti geldt, maar dat onduidelijk is of een vergelijkbaar ruim begrip ook in het Amerikaanse recht wordt gehanteerd. Daarom zou van de verzoekende Staat verlangd moeten worden dat zij ten aanzien van de op verkoop en uitvoer gerichte handelingen (ten aanzien van drugs) rechtsmacht heeft.
11. Uit de hiervoor weergegeven omschrijving van het feit, in het licht van de in de bestreden uitspraak opgenomen toelichting daarop van de assistant United States Attorney, blijkt dat het strafbare feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht mede op het territoir van de Verenigde Staten is begaan.
12. De omstandigheid dat een of meer handelingen, die naar Amerikaans recht zijn aan te merken als 'conspiracy' (en naar Nederlands recht strafbaar kunnen zijn als 'medeplegen'), zijn verricht buiten het grondgebied van de verzoekende Staat brengt niet mee dat het strafbare feit geacht moet worden buiten haar grondgebied te zijn gepleegd, vgl. HR 29 september 1998, griffienr 110.149 U.
Naar mijn inzicht noopt de omstandigheid dat de aan de opgeëiste persoon toegeschreven fysieke handelingen, voor zover die door de verzoekende Staat als onderdeel van de 'conspiracy' worden beschouwd, uitsluitend buiten het grondgebied van die Staat zijn verricht niet tot een ander oordeel, vgl HR 10 juli 2001, griffienr 00344/01 U.
13. Een benadering waarin het in art. 9, tweede lid, onder e van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika voorziene geval slechts dan niet aanwezig wordt geacht indien de opgeëiste persoon zelf deels op, en deels buiten het grondgebied van de verzoekende Staat fysieke gedragingen zou hebben gesteld, gericht op het begaan van het delict, zou niet overeenstemmen met in de Nederlandse strafrechtspleging gangbare opvattingen omtrent de plaatsen waar een strafbaar feit, eventueel in deelneming, kan zijn begaan. Indien naast in, ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar het strafbare feit is begaan, is op grond van art. 2 Sr Pro immers vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de daarvan deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland zijn gesteld, vgl. HR NJ 1998, 117, ongeacht de strafbaarheid daarvan naar het recht van het desbetreffende land, vgl HR NJ 1999, 221.
14. Nu in de omschrijving van het feit waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard besloten ligt dat de op het binnen het grondgebied van de Verenigde Staten brengen van MDMA gerichte samenwerking zich heeft afgespeeld in een district van Florida, is het verweer dat de stukken in verband met het bepaalde in art. 9, tweede lid onder e van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika ongenoegzaam op begrijpelijke en toereikende grond verworpen.
Het middel faalt derhalve.
15. Het tweede middel behelst de klacht dat art. 28 UW Pro is geschonden omdat de Rechtbank heeft verzuimd vast te stellen aan welke staat verzoeker zal mogen worden uitgeleverd.
16. Het dictum van de bestreden uitspraak luidt:
"Verklaart TOELAATBAAR de door de Amerikaanse autoriteiten verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon] voornoemd ter strafvervolging terzake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan feiten zoals hiervoor op bladzijde 2 weergegeven en onderstreept."
17. Aldus heeft de Rechtbank niet in het ongewisse gelaten aan de autoriteiten in welk land verzoeker uitgeleverd zal mogen worden. De formulering is evenwel onjuist. De Verenigde Staten van Amerika zijn partij bij het met het Koninkrijk gesloten uitleveringsverdrag. De Rechtbank had daarom moeten bepalen dat de uitlevering van verzoeker (ter zake van de in de uitspraak weergegeven feiten) aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar is.
Het komt mij voor dat deze misslag niet tot vernietiging behoeft te leiden, daar de Hoge Raad haar zal kunnen herstellen door de bestreden uitspraak verbeterd te lezen, vgl HR 26 juni 2001, griffienr 00330/01 U.
18. Deze conclusie strekt ertoe dat het beroep zal worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,