ECLI:NL:PHR:2002:AD8741

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02647/00 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 6 EVRMArt. 36e SrArt. 511i Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt ontnemingsmaatregel wegens schending redelijke termijn

In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage een ontnemingsmaatregel bevestigd waarbij verzoeker werd verplicht een bedrag van ƒ 9.743,- aan de Staat te betalen, met vervangende hechtenis van 90 dagen bij niet-betaling. Verzoeker stelde vijf middelen van cassatie voor, waarvan de eerste vier niet ontvankelijk werden verklaard omdat deze niet betrekking hadden op de vaststelling van het ontnemingsbedrag.

Het vijfde middel betrof de schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad constateerde dat er meer dan 24 maanden waren verstreken tussen het instellen van het cassatieberoep en de uitspraak, wat in beginsel een overschrijding van de redelijke termijn vormt.

De Hoge Raad oordeelde dat de behandeling van de ontnemingszaak niet onnodig mag worden vertraagd door het procesverloop in de strafzaak. Daarom werd het middel gegrond verklaard, leidend tot vermindering van het te betalen bedrag en de vervangende hechtenis. De Hoge Raad zal zelf de mate van vermindering bepalen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de ontnemingsmaatregel deels en vermindert het te betalen bedrag en de vervangende hechtenis wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

Nr. 02647/00/P
Mr Wortel
Zitting: 8 januari 2002
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage bevestigd waarbij aan verzoeker ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 9.743,=, bij gebreke van volledige betaling of verhaal te vervangen door 90 dagen hechtenis.
2. Op dezelfde datum heeft het Hof uitspraak gedaan in de strafzaak die aan de ontnemingsmaatregel ten grondslag ligt. Tegen beide uitspraken heeft verzoeker cassatieberoep ingesteld. Ook met betrekking tot de strafzaak, bij de Hoge Raad bekend onder griffienr 02646/00, wordt heden geconcludeerd.
3. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend die blijkens het in de aanhef vermelde griffienummer betrekking heeft op deze ontnemingszaak. Daarin zijn vijf middelen van cassatie voorgesteld.
4. De middelen 1 tot en met 4 zijn evenwel uitsluitend gericht tegen beslissingen die in de strafzaak zijn genomen.
Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring van helingshandelingen met de klacht dat uit de bewijsmiddelen en een (met betrekking tot voorwaardelijk opzet) gegeven bewijsoverweging het vermoeden voortvloeit dat de handelingen zijn begaan ten aanzien van geldbedragen die verzoeker door een zelf begaan misdrijf in bezit heeft gekregen.
Het tweede middel richt zich tegen de bewezenverklaring van 'opzetheling' met de klacht dat de vereiste wetenschap niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
In het derde middel wordt er over geklaagd dat niet zou zijn beslist op een verweer betreffende de strafbaarheid van het bewezenverklaarde.
Het vierde middel is gericht tegen het bezigen van een bewijsmiddel dat niet is gebruikt tot bewijs van het door verzoeker verkregen voordeel (maar in de strafzaak wèl aan het bewijs heeft bijgedragen, hetgeen kan worden vastgesteld nu ook het dossier betreffende de strafzaak ter beschikking van de Hoge Raad staat).
5. Vooropgesteld moet worden dat de rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel moet oordelen is gebonden aan de beslissingen die in de hoofdzaak zijn genomen, maar dat hem een zelfstandig oordeel toekomt met betrekking tot alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat, vgl HR NJ 1999, 589.
6. Nu de onder 1 tot en met 4 voorgestelde middelen geen betrekking hebben op beslissingen die het Hof heeft genomen of diende te nemen in verband met de vaststelling van het bedrag waarop het door verzoeker wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, of in verband met de omvang van de hem ter ontneming daarvan op te leggen betalingsverplichting, bevat de schriftuur in zoverre geen cassatiemiddelen als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv.
7. Het vijfde middel houdt in dat de behandeling van dit cassatieberoep een schending van verzoekers recht op berechting binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM vertoont.
8. Reeds op het moment waarop de zaak voor de eerste maal ter zitting van de Hoge Raad diende, op 20 november 2001, waren er meer dan vierentwintig maanden verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 21 oktober 1999.
9. De Hoge Raad heeft in het in NJ 2001, 307 gepubliceerde arrest enkele uitgangspunten geformuleerd ten aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in ontnemingszaken. In dat arrest heeft de Hoge Raad zich, anders dan in HR NJ 2000, 721 met betrekking tot strafzaken, niet uitgelaten over de periode die, behoudens bijzondere omstandigheden, bij de behandeling per instantie een overschrijding van de redelijke termijn zal opleveren.
10. Het laat zich niet goed voorstellen dat de behandeling van het cassatieberoep tegen een ontnemingsuitspraak wordt opgehouden door het procesverloop in de strafzaak die aan de opgelegde maatregel ten grondslag ligt, mede omdat een ontnemingsmaatregel slechts in zoverre afhankelijk is van de afloop van die strafzaak dat de maatregel ingevolge art. 511i Sv van rechtswege vervalt als nadien onherroepelijk wordt vastgesteld dat de in art. 36e, eerste of derde lid, Sr bedoelde veroordeling achterwege blijft.
11. Daarom meen ik dat er, in ieder geval wat de behandeling van een ontnemingszaak in de cassatiefase betreft, geen reden is om af te wijken van het uitgangspunt dat het verstrijken van méér dan vierentwintig maanden tussen het instellen van het rechtsmiddel en het bereiken van een uitspraak in beginsel een overschrijding van de redelijke termijn vormt (in gelijke zin de conclusie van mijn ambtgenoot Jörg voor de zaak met griffienummer 03781/00/P).
12. Het middel is derhalve terecht voorgesteld. Vermindering van het te ontnemen bedrag en de vervangende hechtenis zal het gevolg moeten zijn, en de mate daarvan zal de Hoge Raad zelf kunnen bepalen.
13. De eerste vier middelen zijn niet aan te merken als cassatieklachten in de zin van art. 437, tweede lid, Sv en behoeven daarom geen bespreking. Het vijfde middel treft doel. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, doch uitsluitend wat de bepaling van het door verzoeker te betalen bedrag en de daarmee verband houdende vervangende hechtenis betreft; dat het door verzoeker te betalen bedrag zal worden verminderd opdat de inbreuk op zijn recht op berechting binnen een redelijke termijn naar behoren zal zijn gecompenseerd, met overeenkomstige vermindering van het aantal dagen hechtenis dat bij gebreke van volledige betaling of volledig verhaal zal kunnen worden tenuitvoergelegd, en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,