ECLI:NL:PHR:2002:AD8779
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep op vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel bij waardering goodwill in fiscale inbreng
Belanghebbende bracht zijn maatschapsaandeel in een BV in met toepassing van artikel 18 Wet Pro IB 1964, waarbij de goodwillwaarde ter discussie stond. De Inspecteur stelde de goodwill vast op ƒ 167.277, terwijl belanghebbende een waarde van ƒ 950.000 aanvoerde. De compagnon van belanghebbende had eerder een hogere goodwillwaarde van ƒ 1.000.000 geaccepteerd gekregen.
Na bezwaar en beroep bij het Hof 's-Hertogenbosch werd het beroep van belanghebbende afgewezen. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur niet in strijd had gehandeld met het vertrouwens- of zorgvuldigheidsbeginsel en dat de lagere goodwillwaarde terecht was vastgesteld. Belanghebbende had zijn overige formele grieven ingetrokken.
In cassatie stelde belanghebbende vier klachten, waaronder dat het vertrouwensbeginsel was geschonden en dat de goodwill te laag was vastgesteld. De Hoge Raad overwoog dat het Hof terecht had geoordeeld dat geen sprake was van een in rechte te beschermen vertrouwen en dat het oordeel over de goodwill een waardering van feitelijke aard betrof die in cassatie niet kan worden getoetst.
De Hoge Raad bevestigde dat de Inspecteur niet verplicht was het hogere standpunt van een collega-inspecteur over te nemen en dat het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel niet slaagde. De overige klachten faalden eveneens, waarna het beroep ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de lagere goodwillwaarde vastgesteld door de Inspecteur.