ECLI:NL:PHR:2002:AD8808
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en verwijzing wegens onjuiste beoordeling draagkracht bij geldboete
In deze zaak stond de vraag centraal of het hof bij het bepalen van de draagkracht van verdachte voor het opleggen van geldboetes een juiste en volledige beoordeling had gemaakt. Verdachte voerde aan dat het hof alleen rekening had gehouden met het beslag op zijn huurpanden, terwijl op al zijn vermogensbestanddelen beslag was gelegd, waardoor hij niet in staat was de geldboetes te betalen.
De raadsman van verdachte benadrukte dat verdachte zijn activiteiten had gestaakt en dat beslag was gelegd op alle relevante vermogensbestanddelen, waaronder de huurpanden die maandelijks een inkomen van f 5500 genereerden. Het hof oordeelde echter dat niet aannemelijk was dat verdachte onvoldoende draagkracht had om de boetes te betalen, zonder nadere motivering.
De Hoge Raad constateerde dat het hof het draagkrachtverweer niet correct had samengevat en een onjuist criterium had gehanteerd. De motivering van het hof was onvoldoende, omdat niet was toegelicht waarom ondanks het beslag op alle vermogensbestanddelen, waaronder de huurpanden, niet aannemelijk was dat verdachte onvoldoende draagkracht had.
De Hoge Raad verklaarde het middel gegrond, vernietigde het arrest van het hof voor zover het de strafoplegging betreft, en verwees de zaak naar een ander hof voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging, met inachtneming van de juiste criteria en een deugdelijke motivering.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onjuiste beoordeling van de draagkracht en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde strafoplegging.