ECLI:NL:PHR:2002:AD8808

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00345/01 E
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 SrArt. 359 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing wegens onjuiste beoordeling draagkracht bij geldboete

In deze zaak stond de vraag centraal of het hof bij het bepalen van de draagkracht van verdachte voor het opleggen van geldboetes een juiste en volledige beoordeling had gemaakt. Verdachte voerde aan dat het hof alleen rekening had gehouden met het beslag op zijn huurpanden, terwijl op al zijn vermogensbestanddelen beslag was gelegd, waardoor hij niet in staat was de geldboetes te betalen.

De raadsman van verdachte benadrukte dat verdachte zijn activiteiten had gestaakt en dat beslag was gelegd op alle relevante vermogensbestanddelen, waaronder de huurpanden die maandelijks een inkomen van f 5500 genereerden. Het hof oordeelde echter dat niet aannemelijk was dat verdachte onvoldoende draagkracht had om de boetes te betalen, zonder nadere motivering.

De Hoge Raad constateerde dat het hof het draagkrachtverweer niet correct had samengevat en een onjuist criterium had gehanteerd. De motivering van het hof was onvoldoende, omdat niet was toegelicht waarom ondanks het beslag op alle vermogensbestanddelen, waaronder de huurpanden, niet aannemelijk was dat verdachte onvoldoende draagkracht had.

De Hoge Raad verklaarde het middel gegrond, vernietigde het arrest van het hof voor zover het de strafoplegging betreft, en verwees de zaak naar een ander hof voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging, met inachtneming van de juiste criteria en een deugdelijke motivering.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onjuiste beoordeling van de draagkracht en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde strafoplegging.

Conclusie

Mr Jörg
Nr. 00345/01 E
Zitting 22 januari 2002
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door de economische kamer van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 14 november 2000 vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding met betrekking tot de vreemdeling [betrokkene A] tenlastegelegde en hem voorts ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid van de Wet arbeid vreemdelingen, twaalf maal gepleegd" veroordeeld tot twaalf maal een geldboete van telkens vijfduizend gulden, subsidiair telkens vijftig dagen hechtenis.
2. Namens verzoeker heeft mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het hof artikel 359 Sv Pro heeft geschonden, aangezien het een onjuist uitgangspunt heeft genomen bij de bepaling van de draagkracht van verzoeker. Het hof heeft bij het bepalen van de draagkracht slechts rekening gehouden met de omstandigheid dat verzoekers huurpanden in beslag waren genomen, en niet met de
omstandigheid dat op al zijn vermogensbestanddelen, waaronder dus ook de huurpanden, beslag is gelegd.
4. Blijkens de pleitnota welke gehecht is aan het proces-verbaal van 's hofs zitting dd. 31 oktober 2000, heeft de raadsman namens verzoeker het volgende verweer gevoerd:
"() [verdachte] kan evenwel de hoogte van de hem opgelegde straf niet begrijpen.()
c.()Cliënt is niet in staat de hem opgelegde geldboete te betalen. Cliënt heeft zijn activiteiten in de sexbranche volledig gestaakt.
() Het Openbaar Ministerie heeft wel op alle relevante vermogensbestanddelen van cliënt beslag gelegd. Deze laatste omstandigheid maakt het betalen van een relevante geldboete onmogelijk. ()"
5. Blijkens het proces-verbaal van 's hofs terechtzitting dd. 31 oktober 2000 heeft de raadsman in aanvulling op zijn pleitnota aangevoerd:
"() dat het openbaar ministerie ook beslag heeft laten leggen op de twee panden, die zijn cliënt verhuurt.()"
6. Het hof heeft overwogen:
"() Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboeten heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Weliswaar heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij thans geen geldboeten kan betalen omdat er nog een ontnemingzaak loopt tegen hem en er beslag is gelegd op zijn huurpanden, doch het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk is geworden dat hij onvoldoende draagkracht heeft om geldboeten als hierna vermeld [te] betalen."
7. Naar aanleiding van het middel en ambtshalve diene het volgende.
Terecht stelt het middel dat het hof het draagkrachtverweer niet op correcte wijze heeft samengevat.
Voorts heeft het hof naar mijn oordeel een verkeerd criterium gehanteerd. Het door het hof aangelegde criterium `dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker onvoldoende draagkracht heeft om de opgelegde geldboeten te betalen' geldt zelfs niet voor het geval dat `een verdachte, evenals iedere volwassen persoon in Nederland, geacht moet worden een geldboete van f 750 te kunnen dragen'(cf. HR 7 januari 1986, NJ 1986, 440). Art. 24 Sr Pro vereist dat de rechter bij de vaststelling van de geldboete rekening houdt met de draagkracht van de verdachte zonder dat deze in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen. Deze formulering lijkt mij niet toe te staan dat iedere door een rechter overwogen geldboete draaglijk is, tenzij het tegendeel aannemelijk is.
8. In de derde plaats schiet de motivering van de verwerping van het draagkrachtverweer te kort, waar dit verweer inhield dat op al verzoekers vermogensbestanddelen beslag is gelegd, waaronder zijn twee huurpanden, waaruit hij maandelijks een inkomen van f 5500 genereert (p-v hof, p. 2). Onder deze omstandigheden behoeft het immers nadere verklaring - die in het arrest ontbreekt en die ook niet kan worden gedestilleerd uit hetgeen ter zitting van het hof omtrent verzoekers inkomenspositie (niet) is gevraagd - dat het hof ondanks het betoog van de raadsman van oordeel is dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker onvoldoende draagkracht heeft om een totale boetelast van f 60.000 te betalen (cf. HR 15 juni 1993, NJ 1994, 276; HR 6 oktober 1998, NJ 1999, 308; HR 1 december 1998, NJ 1999, 310, m.nt. Sch; HR 16 oktober 2001, nr 03023/00/E; zie verder Vegter, T&C Sr, 3e, aantekeningen op art. 24).
9. Het middel is gegrond. Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde ten aanzien van de strafoplegging opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG