ECLI:NL:PHR:2002:AD8832
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid advocaat-generaal tot instellen enquête bij beursvennootschap De Vries Robbé Groep
De zaak betreft een geschil over het enquêterecht bij de beursgenoteerde vennootschap De Vries Robbé Groep N.V., voortgekomen uit Mulder Boskoop N.V. Na een transactie waarbij BTG Holdings B.V. ondernemingen inbracht in Mulder Boskoop tegen aandelenuitgifte, ontstonden twijfels over de waarde van deze inbreng. De Vries Robbé verzocht de Ondernemingskamer (OK) om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken in de periode voorafgaand aan de transactie.
De advocaat-generaal (a.-g.) stelde eveneens een vordering in tot het gelasten van een enquête wegens vermoedens van misleiding van het beleggend publiek door onjuiste financiële informatie. De OK stelde de enquête op verzoek van de a.-g. gelast, ondanks dat reeds een enquête was ingesteld op verzoek van De Vries Robbé zelf. BTG stelde in cassatie dat de a.-g. niet ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat de enquête reeds was gelast.
De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat het enquêterecht aan de a.-g. een zelfstandige bevoegdheid verleent om een enquête te verzoeken op grond van openbaar belang, ook als anderen reeds een enquête hebben gelast. Het openbaar belang omvat het vertrouwen van het beleggend publiek in de financiële verslaggeving van beursvennootschappen. De Hoge Raad benadrukte dat het begrip openbaar belang ruim moet worden geïnterpreteerd en dat de a.-g. beleidsruimte heeft bij het instellen van een enquête. Het beroep van BTG werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontvankelijkheid van de advocaat-generaal in zijn vordering tot het gelasten van een enquête bij De Vries Robbé Groep.