ECLI:NL:PHR:2002:AD8832

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
OK 89
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:345 BWArt. 2:346 BWArt. 2:347 BWArt. 48 RvArt. 176 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid advocaat-generaal tot instellen enquête bij beursvennootschap De Vries Robbé Groep

De zaak betreft een geschil over het enquêterecht bij de beursgenoteerde vennootschap De Vries Robbé Groep N.V., voortgekomen uit Mulder Boskoop N.V. Na een transactie waarbij BTG Holdings B.V. ondernemingen inbracht in Mulder Boskoop tegen aandelenuitgifte, ontstonden twijfels over de waarde van deze inbreng. De Vries Robbé verzocht de Ondernemingskamer (OK) om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken in de periode voorafgaand aan de transactie.

De advocaat-generaal (a.-g.) stelde eveneens een vordering in tot het gelasten van een enquête wegens vermoedens van misleiding van het beleggend publiek door onjuiste financiële informatie. De OK stelde de enquête op verzoek van de a.-g. gelast, ondanks dat reeds een enquête was ingesteld op verzoek van De Vries Robbé zelf. BTG stelde in cassatie dat de a.-g. niet ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat de enquête reeds was gelast.

De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat het enquêterecht aan de a.-g. een zelfstandige bevoegdheid verleent om een enquête te verzoeken op grond van openbaar belang, ook als anderen reeds een enquête hebben gelast. Het openbaar belang omvat het vertrouwen van het beleggend publiek in de financiële verslaggeving van beursvennootschappen. De Hoge Raad benadrukte dat het begrip openbaar belang ruim moet worden geïnterpreteerd en dat de a.-g. beleidsruimte heeft bij het instellen van een enquête. Het beroep van BTG werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontvankelijkheid van de advocaat-generaal in zijn vordering tot het gelasten van een enquête bij De Vries Robbé Groep.

Conclusie

Nr. OK 89
Mr. M.R. Mok
(Derde kamer A)
(enquête)
Parket, 24 juli 2001
Conclusie inzake
BTG HOLDINGS B.V.
tegen
1. ADVOCAAT-GENERAAL BIJ HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
2. DE VRIES ROBBÉ GROEP N.V.
3. [Verweerder 3]
4. [Verweerster 4]
1. FEITEN
1.1. Verweerster in cassatie sub is de beursgenoteerde naamloze vennootschap De Vries Robbé Groep N.V. Deze vennootschap is voortgekomen uit het voormalige beursfonds Mulder Boskoop N.V.
1.2. Bij een op 23 maart 1998 geëffectueerde transactie heeft verzoekster van cassatie, BTG Holdings B.V.(hierna: BTG), drie ondernemingen met haar deelnemingen ingebracht in Mulder Boskoop tegen uitgifte van ruim ƒ 1,2 miljoen nieuwe aandelen in Mulder Boskoop met een totale waarde van ƒ 40.000.000. Met betrekking tot de uitgifte van deze aandelen was op 18 maart 1998 een plaatsingsbericht uitgegeven.
Bij notariële akte van 24 maart 1998 zijn de statuten van Mulder Boskoop gewijzigd, waarbij de naam van "Mulder Boskoop N.V." werd gewijzigd in "De Vries Robbé Groep N.V" (hierna ook aan te duiden als: De Vries Robbé).
1.3. De op 23 maart 1998 ingebrachte ondernemingen vormen drie te onderscheiden "poten": de "Gevel-poot", de "Bailey-poot" en de "BTS"-poot.
Tot de "Gevel"-poot behoorde onder meer De Vries Robbé Gevelbouw B.V. Deze vennootschap had op haar beurt een belang van 50% in de Engelse vennootschap Witte UK Ltd.
1.4. Kort na zijn aantreden op 1 april 1998 rezen bij de huidige directeur van De Vries Robbé, [betrokkene A], twijfels over de omvang en inbaarheid van een vordering van De Vries Robbé Gevelbouw B.V. op Witte UK Ltd.
Bij hem ontstond het vermoeden dat de werkelijke waarde van de drie bij de transactie van 23 maart 1998 ingebrachte ondernemingen lager was dan de waarde waarvoor de inbreng had plaatsgevonden.
1.5. De Vries Robbé heeft BTG aangesproken op grond van de door BTG ter zake van de transactie afgegeven garanties. In het kader van de discussie over de vraag of De Vries Robbé inderdaad een vordering had op BTG, heeft eerstgenoemde op 31 juli 1998 een overeenkomst met BTG gesloten waarin deze zich onder meer heeft verplicht de door haar gehouden prioriteitsaandelen in De Vries Robbé aan de daartoe opgerichte Stichting Prioriteitsaandelen De Vries Robbé Groep N.V. over te dragen(1).
Verder werd afgesproken dat beide partijen aan een externe accountant de opdracht zouden geven om onderzoek te verrichten naar de omvang van de door De Vries Robbé Groep beweerdelijk geleden schade. BTG zou bij wege van voorschot op mogelijke vergoeding van deze schade aan De Vries Robbé een lening verstrekken van ƒ 7,5 miljoen.(2)
1.6. In juni 1999 heeft De Vries Robbé Groep de "Gevel-poot" verkocht aan Forex Lloyd GmbH. De tot die poot behorende vennootschappen zijn op verschillende data in februari 2000 in staat van faillissement verklaard.
Sinds juli 1999 verkeert Witte UK Ltd. in liquidatie.
1.7. Bij verzoekschrift van 22 maart 2000 heeft De Vries Robbé de ondernemingskamer (OK) van het gerechtshof te Amsterdam verzocht een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken bij deze vennootschap zelf. Dit onderzoek zou betrekking moeten hebben op de periode van april 1997 tot en met 23 maart 1998.
Voorts heeft De Vries Robbé Groep verzocht voor de duur van het geding een aantal voorlopige voorzieningen te treffen.
1.8. De OK heeft deze verzoeken goeddeels toegewezen. Tegen de desbetreffende beschikkingen heeft verzoekster van cassatie, BTG, eveneens beroep in cassatie ingesteld.
Inzake deze beroepen (OK 87/88) zal ik heden eveneens concluderen.
2. VERLOOP PROCEDURE
2.1. Bij brief van 22 mei 2000 heeft de advocaat-generaal bij het hof (hierna ook: a.-g.) aan De Vries Robbé zijn bezwaren kenbaar gemaakt tegen het door de vennootschap gevoerde beleid en gang van zaken bij de vennootschap.
Bij schriftelijke vordering van dezelfde datum heeft hij gevorderd dat om redenen van openbaar belang bij De Vries Robbé een onderzoek wordt ingesteld over de periode van maart 1997 tot april 1998 en op de voet van art. 429m lid 2 Rv verzocht om voeging met de door De Vries Robbé ingestelde procedure.
2.2. Omdat de OK het aannemelijk achtte dat BTG nog geen afschrift had ontvangen van de vordering van de a.-g., heeft zij bij beschikking van 25 mei 2000 BTG in de gelegenheid gesteld hierop nader te reageren.
Daartoe heeft zij de behandeling van de vordering van de a.-g. aangehouden tot 27 juli 2000. Tot de door de a.-g. gevraagde voeging wilde de OK in dit stadium van het geding nog niet overgaan.
2.3. De vordering van de advocaat-generaal is behandeld op de openbare zitting van de OK op 28 september 2000.
Bij beschikking van 26 oktober 2000 heeft de OK de door de a.-g. gevorderde enquête gelast en daarbij bepaald dat het reeds bij beschikking van 22 juni 2000 gelaste onderzoek mede zou geschieden op vordering van de a.-g.
2.4. BTG heeft tegen deze beschikking op 22 december 2000 (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Het beroep steunt op drie middelen.
De Vries Robbé en de a.-g. hebben een verweerschrift ingediend.
3. BESPREKING VAN DE CASSATIEMIDDELEN
3.1.1. Middel 1 bevat een rechtsklacht en richt zich tegen ro. 4.3 van de bestreden beschikking, waarin de OK uiteenzet waarom zij van oordeel is dat de advocaat-generaal ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering:
"Anders dan belanghebbenden betogen, brengt het feit dat reeds een onderzoek is ingesteld niet mee dat de advocaat-generaal niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Uit de wettelijke regeling van het enquêterecht, met name artikel 2:345 BW Pro, blijkt dat de wetgever voor de advocaat-generaal naast de in de artikelen 2:346 en 347 BW bedoelde belanghebbenden een separate, op redenen van openbaar belang te grondvesten rechtsingang heeft voorzien. De vordering van de advocaat-generaal, alsmede de reikwijdte van het eventueel op die vordering te bevelen onderzoek, dienen dan ook in het kader daarvan te worden beoordeeld. De stelling dat de advocaat-generaal geen belang ­ meer- heeft, gaat dus niet op."
3.1.2. De OK zou daarmee art. 2:345, lid 2, BW hebben geschonden, doordat zij miskent dat het openbaar ministerie op grond van de aan hem toevertrouwde belangen, slechts een beperkte opdracht heeft en dat het OM in de onderhavige zaak buiten de grenzen van die beperkte opdracht is getreden, toen de a.-g. de ingediende vordering tot het gelasten van een enquête handhaafde, wetende dat op verzoek van een ander dezelfde enquête (over dezelfde periode en met benoeming van dezelfde onderzoeker) reeds was gelast.
Toewijzing van de door het OM gevorderde enquête zou derhalve niet in overeenstemming zijn met die beperkte opdracht. De OK had daarom de a.-g. in zijn vordering niet-ontvankelijk moeten verklaren, althans zijn vordering moeten afwijzen op grond van de reeds gelaste enquête.
3.1.3. Ter verduidelijking van deze klacht wordt in de schriftelijke toelichting een passage aangehaald uit de m.v.t. op het wetsontwerp wijziging en aanvulling van het recht van enquête, waarin is gesteld dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat
"aan het openbaar ministerie inderdaad een beperkte opdracht is gegeven en dat daaruit volgt, dat het in het algemeen alleen dan zal optreden, wanneer andere, meer direct belanghebbenden, zoals aandeelhouders en vakbonden van werknemers, stilzitten en er een belang van openbare orde gemoeid is met het instellen van een onderzoek."(3)
3.1.4. Volgens BTG impliceert deze passage niet dat het Openbaar Ministerie alleen dan bevoegd is een enquête te verzoeken indien anderen niets doen, maar wel dat een gevorderde enquête moet worden afgewezen "als het toewijzen van die gevorderde enquête niet (meer) nodig is."
3.1.5. Het middel verwart twee begrippen: terughoudend en aanvullend.
Ook al is aan het OM een beperkte opdracht gegeven, daaruit volgt niet de onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid als op verzoek van een particuliere belanghebbende al een enquête is gelast.
3.1.6. In de woorden van Maeijer(4):
"De bevoegdheid van de PG(5) is niet een subsidiaire: die hij eerst zal (mogen) uitoefenen indien anderen die de enquêtebevoegdheid hebben, stilzitten. Zie mijn noot onder NJ 1983, 25(6) en NJ 1984, 462(7) en ook SER-advies 88/14, p. 37: het openbaar belang kan in het geding zijn zowel bij stilzitten als in geval van actie van andere enquêtebevoegden. Vgl. voor een samenloop van een vordering van de PG en een verzoek van andere enquêtebevoegden: o.a. HR 10 januari 1990 (Ogem), NJ 1990, 466; in de zaak Vie d'Or, HR 15 januari 1997, NJ 1997, 368, lokte alleen de PG (op verzoek van gedupeerde polishouders) de enquête uit. De PG dient feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan kon worden aangenomen dat het openbaar belang een enquête rechtvaardigt. Zie HR 5 september 1990, NJ 1991, 62 ten aanzien van de jaarrekeningprocedure. Hier ligt het mijns inziens niet anders. Binnen het hierboven aangegeven kader komt er aan de PG beleidsruimte toe de vordering al dan niet in te stellen. De OK beoordeelt aan de hand van de feiten en omstandigheden integraal of een openbaar belang aanwezig is. Zie mijn noot sub 4 onder de zojuist genoemde uitspraak. Komt de OR tot een ontkennend oordeel, dan is de PG niet ontvankelijk. (...)"(8)
3.1.7. De door het middel geponeerde stelling vindt derhalve geen steun in de rechtsprak en evenmin in de literatuur.
3.1.8. Overigens heeft de door het middel verdedigde opvatting ook geen zin in combinatie met de door BTG verdedigde opvatting dat De Vries Robbé niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in haar verzoek om een enquête.
De twee stellingen gaan in geen geval samen.
3.1.9. Het middel treft geen doel.
3.2.1. Middel 2 verwijt de OK, in strijd met art. 48 Rv Pro, (bedoeld zal zijn: met176 Rv) de rechtsfeiten te hebben aangevuld, door in ro. 4.7 te overwegen dat de belangen van kleine aandeelhouders gebaat zijn bij deze enquête en door "toezicht op de rechtmatige gang van zaken bij de uitgifte van aandelen door beursvennootschappen" en de "juiste en adequate informatieverschaffing" als feit aan te voeren, terwijl zulks niet door partijen is aangevoerd.
3.2.2. In de bewuste overweging heeft de OK geconcludeerd dat de advocaat-generaal
"[M]et het gestelde in de vordering van 22 mei 2000 - kort samengevat van de strekking dat het beleggend publiek door de (beursgenoteerde) vennootschap opzettelijk is misleid door een onjuiste presentatie van haar financiële gegevens ten gevolge van onjuiste boekingen - bezien in samenhang met de vastgesteld feiten in rechtsoverweging 4.4 van de beschikking van de Ondernemingskamer van 22 juni 2000, voldoende aannemelijk [heeft] gemaakt dat - ook - redenen van openbaar belang aanleiding geven tot een enquête bij de vennootschap. Op grond van die feiten ­ en bij gebreke van serieuze betwisting daarvan door belanghebbenden ­ moet immers ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat ­ kleine- aandeelhouders ­ die gelet op het in art. 2:346 onder Pro b BW gestelde vereiste niet uit eigen hoofde een verzoek kunnen doen tot het instellen van een onderzoek ­ bij de uitgifte van nieuwe aandelen door de vennootschap geschaad zijn door misleidende, althans onjuiste informatie over de financiële positie van de vennootschap, alsook door de ernstige conflicten die nadien zijn ontstaan binnen de ­ diverse organen van de- vennootschap."
Naar het oordeel van de OK staan hier niet alleen de eigen belangen van de desbetreffende aandeelhouders op het spel maar ook
"het openbare belang van -het toezicht op- een rechtmatige gang van zaken bij de uitgifte van aandelen door beursvennootschappen. Daarnaast dient (...) ook een juiste en adequate informatieverschaffing door (beurs)vennootschappen aan aandeelhouders in meer algemene zin als van openbaar belang te worden aangemerkt."
3.2.3. Van een verboden aanvulling van feiten is hier m.i. hier geen sprake. De OK heeft in de bewuste overweging slechts uitleg gegeven aan de door de a.-g. aangevoerde stellingen
Zij heeft met name bezien of het door de a.-g. betoogde ­ in samenhang met de in ro. 4.4 van de beschikking van 22 juni 2000 vastgestelde feiten (gefingeerde facturen, ernstige conflicten binnen de organen van De Vries Robbé die nadelige invloed hebben op beleid van De Vries Robbé) ­ kan leiden tot het oordeel dat sprake is van "redenen van openbaar belang" als bedoeld in art. 2:345, lid 2, BW.
3.2.4.1. De door de OK gegeven uitleg is ook niet onbegrijpelijk. De a.-g. heeft, zoals de OK het heeft samengevat, ten aanzien van zijn vordering gesteld dat sprake is van misleiding van het beleggend publiek, mede als gevolg van misleidende ­ want kunstmatig verhoogde ­ cijfers in het plaatsingsbericht.
Mede op basis van die cijfers heeft het beleggend publiek aandelen kunnen verwerven. In zijn conclusie van 25 mei 2000 heeft de a.-g. gesteld dat een "groot aantal beleggers" is gedupeerd, gelet op de vervuiling van de cijfers die heeft plaatsgevonden.
3.2.4.2. Door de (opzettelijke) misleiding zou aan de betrouwbaarheid van gepubliceerde financiële stukken ( in het plaatsingsbericht) van de onderneming (ernstig) afbreuk zijn gedaan(9).
3.2.4.3. Tot het "beleggend publiek" plegen ook kleine aandeelhouders te worden gerekend. In elk geval is het niet onbegrijpelijk dat de OK de mogelijke aanwezigheid hiervan in deze zaak heeft aangenomen, nu het hier gaat om een beursgenoteerde vennootschap.
3.2.5. Middel 2 is als resultaat van het voorgaande vergeefs voorgesteld.
3.3.1. Middel 3 brengt een rechts- en motiveringsklacht in stelling tegen het oordeel van de OK dat sprake is van redenen van openbaar belang voor een onderzoek naar het beleid en gang van zaken bij De Vries Robbé . De OK zou zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip "openbaar belang" in art. 2:345, lid 2, BW, althans haar oordeel niet voldoende hebben gemotiveerd.
3.3.2. De bevoegdheid om een vordering in te dienen tot het instellen van een enquête heeft de a.-g. gekregen bij de herziening van het enquêterecht per 1 januari 1971 (art. 53 W.v.K., oud) WvK, oud)(10).
De bevoegdheid van de a.-g. in het kader van het enquêterecht is echter beperkt, in die zin dat hij alleen kan optreden indien "het openbaar belang" dit vereist. Hij mag dus niet zuiver particuliere belangen dienen. Deze beperking is ontleend aan art. 1, lid 1, Fw en geldt ook ten aanzien van de bevoegdheid van de a.-g. in het kader van het jaarrekeningenrecht (art. 999, lid 2, Rv)(11).
3.3.3.1. Uit de wetsgeschiedenis van art. 2:345, lid 2, BW blijkt dat het begrip "openbaar belang" niet te eng moet worden geïnterpreteerd en dat de a.-g. enige beleidsruimte moet worden gelaten:
"Het openbaar belang moet echter niet worden vereenzelvigd met een publiekrechtelijke of staatsrechtelijk belang. Het begrip, zoals dat ook bij de toepassing van de Faillissementswet werd uitgelegd, is ruimer. Dat het 'openbaar belang' een zekere tegenstelling tot het 'particuliere belang' inhoudt, neemt niet weg dat in vele gevallen zowel het openbaar belang als particuliere belangen tegelijkertijd in het geding zijn. Is er sprake van een veelheid van particuliere belangen bij een bepaalde aangelegenheid dan zal men spoedig mogen aannemen dat daarbij dan ook het openbare belang is betrokken. Dit is zeker het geval bij ondernemingen van enige omvang die bijv. voor de werkgelegenheid van een streek van wezenlijke betekenis zijn."(12)
3.3.3.2. Tijdens de mondelinge behandeling van de wet tot herziening van het enquêterecht heeft de minister van Justitie gewezen op een beschikking waarin de Hoge Raad(13) in het kader van art. 1 Fw Pro als redenen van openbaar belang het grote aantal gedupeerden, de deplorabele financiële situatie van de betrokken vennootschap en de bedenkelijke gang van zaken in het algemeen(14) heeft aanvaard.
3.3.4. De beperkende toevoeging brengt tot uitdrukking dat aan de a.-g. een gelimiteerde opdracht is gegeven, zoals ook blijkt uit de hiervoor onder § 3.1.3. (met noot 2) aangehaalde passage uit de m.v.t. Niet ieder belang kan als openbaar belang worden aangemerkt. Vereist is dat
"boven de particuliere (bijzondere) belangen (meer) algemene en zwaarwegende belangen gevaar lopen gelaedeerd te worden."(15)
3.3.5.1. In een uitspraak naar aanleiding van art. 999 lid 2 Rv Pro, die ook van betekenis is voor de uitleg van art. 2:345 lid 2 Rv Pro.(16) , oordeelde de Hoge Raad dat sprake moet zijn van een "specifiek openbaar belang"(17).
De beoordeling of in een concreet geval hiervan sprake is, is volgens de Hoge Raad afhankelijk van de waardering van tal van feiten en omstandigheden, zoals de omvang van de onderneming en het aantal van op enigerlei wijze bij de financiële positie van die onderneming betrokkenen.
Verder kan van belang zijn of het gestelde gebrek in de jaarrekening ertoe kan leiden dat zij die belang hebben bij een goed inzicht in de financiële positie van de onderneming, een onjuist beeld zullen krijgen met betrekking tot punten van wezenlijk belang (solvabiliteit, rentabiliteit, continuïteit van de onderneming)(18).
3.3.5.2. In de beschikking inzake OGEM(19) achtte de Hoge Raad het openbaar belang geschaad doordat de continuïteit van de onderneming in gevaar was gebracht en omdat een onderneming met een omvang als die van OGEM de belangen van een ruimere kring raakt dan die van de betrokken aandeelhouders en werknemers alleen.
3.3.6.1. Wat betreft de vraag of in deze zaak sprake is van een "openbaar belang", heeft de a.-g., anders dan in de toelichting op middel 3 wordt gesteld, zijn vordering niet slechts gestoeld op de stelling dat sprake is van opzettelijke misleiding door "ophoging van cijfers".
Hij heeft, zoals de OK ook in ro. 4.7 overweegt, immers ook gesteld dat door die (opzettelijke) misleiding mogelijk (vele) aandeelhouders zijn gedupeerd.
3.3.6.2. Meer precies heeft de a.-g. aangevoerd dat door die verhoging van cijfers bij de aandelenemissie in 1998 is uitgegaan van onjuiste cijfers en dat het beleggend publiek op basis daarvan mogelijk aandelen heeft verworven.
Er zouden aandelen zijn uitgegeven waar, mogelijk voor een bedrag van ƒ 13.334.991,- geen reële waarde tegenover stond. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.
3.3.7.1. Het oordeel van de OK dat het verschaffen van misleidende informatie over de financiële positie van de vennootschap niet slechts de (psrticuliere)belangen van de aandeelhouders maar ook het openbare belang raakt, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Toezicht op een rechtmatige gang van zaken bij de uitgifte van aandelen door beursvennootschappen en een juiste en adequate informatieverschaffing door (beurs)vennootschappen aan aandeelhouders kan beschouwd worden als een "openbaar belang" in de zin van art. 2:345 lid 2 BW Pro.
3.3.7.2. Het openbaar belang is in het geding wanneer het vertrouwen van het (beleggend) publiek in de juistheid van de gepubliceerde cijfers en het toezicht op een rechtmatige gang van zaken bij de uitgifte van aandelen van beursgenoteerde vennootschappen ernstig wordt ondermijnd door het (opzettelijk) verstrekken van misleidende gegevens over de financiële positie van een beursgenoteerde vennootschap als De Vries Robbé.
Daardoor kan een onjuist beeld ontstaan over de waarde van de onderneming(20).
3.3.8. Op een en ander stuit het middel af.
4. CONCLUSIE
Ik concludeer tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
1. Zie het inleidend verzoekschrift van De Vries Robbé tot het instellen van een enquête, prod. 5
2. Verweerschrift van BTG d.d. 25 mei 2000, prod. 11.
3. M.v.t. bij het voorontwerp van wet tot wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête; opgenomen in SER-advies 88/14.
4. Asser-Maeijer 2-III, 2000, nr. 524, p. 794.
5. Thans de advocaat-generaal.
6. OK 28 december 1981.
7. OK 17 maart 1983.
8. Zie voorts o.m. V.d. Heyden/Van der Grinten, Handboek, 1992, nr. 362, p/ 631; Buijn/Storm (Sanders/Westbroek, BV en NV, 1998), p. 276-277; J. Wortel, De procureur-generaal; werk aan de winkel (?), in: De ondernemingskamer, Prinsengrachtreeks 1998/1, p. 17 en C.A. Boukema, Rechtspersonen (losbl.), aant. 2 op art. 345.
9. Zie vordering tot het instellen van een enquête van 22 mei 2000, p. 1 en conclusie a.-g. van 25 mei 2000, p. 2.
10. Wet van 10 september 1970 tot herziening van het enquêterecht, Stb. 411. Op 1 juni 1999 is de wet op de reorganisatie van het Openbaar Ministerie en het landelijk parket (Wet van 19 april 1999, Stb. 194) van kracht geworden; tot 1 juni 1999 kwamen de in art. 2:345, lid 2, BW genoemde bevoegdheden toe aan de procureur-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam.
11. M.v.t., kamerst. [II 1967-1968] 9596, nr. 3, p. 7, rk.
12. M.v.a. I , opgenomen in eindverslag, kamerst. [I 1969-1970] 9595 en 9596, nr. 118b, p. 2 rk.
13. 20 september 1957, NJ 1957, 568.
14. Hand. II 8 april 1970, p. 2908-2909. Voorts Hand. II, p. 2921 lk, en 14 april 1970, p. 2958 rk,. Hand. I 8 september 1970, p. 1094 rk./1095 lk. Zie voorts m.v.a. II, p. 13 rk.,
15. Conclusie (Verburg) nr. 18 bij HR 5 september 1990, NJ 1991, 62, m.n.t. J.M.M. Maeijer, met verwijzing naar Ficq, TVVS 1982, 121. Voor een uitgebreide weergave van de ontstaansgeschiedenis van art. 2:345 lid 2 BW Pro zie deze conclusie, nrs. 12-18.
16. Wetsontwerp 9595 inzake de jaarrekening van ondernemingen is gelijktijdig met het wetsontwerp tot herziening van het enquêterecht ingediend en gezamenlijk behandeld. Zie echter Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), art. 999, aant. 49 waarin deze betekenis wordt gerelativeerd.
17. HR 5 september 1990, NJ 1991, 62, m.nt. J.M.M. Maeijer.
18. Zie ook SER-advies wijziging enquêterecht, 88/14, p. 38.
19. HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466, m.nt. J.M.M. Maeijer, ro. 4.3.
20. Vgl. in dit verband ook OK 7 december 1989, NJ 1990, 242 (Bredero) waarin de OK oordeelde dat het openbaar belang wordt geschaad wanneer als gevolg van (opzettelijke) misleiding aan de betrouwbaarheid van de jaarstukken ernstig afbreuk wordt gedaan.