ECLI:NL:PHR:2002:AD8880
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring en strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn in zaak verkrachting en aanranding
In deze zaak is verzoeker door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens verkrachting en meervoudige feitelijke aanranding van de eerbaarheid van een vrouw, zijn dochter, gepleegd in verschillende perioden tussen 1981 en 1993. Het hof had de feiten gesplitst in meerdere bewezenverklaringen, waarbij onderscheid werd gemaakt tussen geweld en andere feitelijkheden, mede vanwege wetswijzigingen die na de feiten in werking traden.
Verzoeker stelde in cassatie drie middelen voor, waaronder dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden, dat het hof ten onrechte de bewezenverklaring had gesplitst en dat het bewijs van geweld onvoldoende was. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden en daarom de straf moest worden verminderd. De splitsing van de bewezenverklaring werd als begrijpelijk en gegrond beoordeeld, waarbij het hof terecht onderscheid maakte tussen verschillende gedragingen en perioden.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof de bewezenverklaring baseerde op verklaringen van het slachtoffer en dat het gebruik van geweld in de zin van het wetboek breed moet worden opgevat, inclusief gedragingen die leiden tot onmacht. De klachten over het bewijs van geweld werden verworpen. De uitspraak werd vernietigd voor zover het de straf betreft, met een vermindering van de straf wegens termijnoverschrijding, en het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De bewezenverklaring van verkrachting en feitelijke aanranding wordt bevestigd, maar de straf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.